Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Belastinggeld voor Dareios

[90] Van de kant van de Ioniërs, Klein-Aziatische Magneten,[1] Aioliërs, Kariërs, Lykiërs, Milyërs[2] en Pamfyliërs stroomden wel vierhonderd talenten aan zilver binnen. Dat was de afdracht die hen als één bedrag was opgelegd. Dat is het eerste district[3] dat was vastgesteld.

Van de Mysiërs, Lydiërs, Lasoniërs, Kabaliërs[4] en Hygennen kwamen vijfhonderd talenten[5] binnen. Dat was het tweede district.

Voor de Hellespontiërs (die op de rechteroever, als je ernaartoe vaart), Frygiërs, Klein-Aziatische Thrakiërs, Paflagonen, Mariandynen en Syriërs bedroeg de afdracht 360 talenten. Dat was het derde district.

De afdracht van de Kilikiërs bestond uit 360 witte paarden, één voor iedere dag van het jaar,[6] en vijfhonderd zilveren talenten.[7] Hiervan werden 140 talenten uitgegeven voor de ruiterij die het Kilikische gebied bewaakte; 360 talenten kwamen bij Dareios terecht. Dat was het vierde district.

Districten 5-8

[91] De afdracht van de stad Posideion, door Amfilochos, zoon van Amfiaraos, gesticht in het grensgebied tussen Kilikia en Syrië, om precies te zijn een gebied dat zich daarvandaan uitstrekt tot aan Egypte – niet meegerekend een stuk van Arabië dat niet belastingplichtig was – bedroeg 350 talenten. Tot die regio behoort heel Foenicië, het zogeheten Palestijns Syrië en Kypros. Dat was het vijfde district.

Uit Egypte, het direct aan Egypte grenzende Libya, Kyrene en Barke (dit zijn gebieden die in het Egyptische district waren ondergebracht) stroomden 700 talenten binnen, niet meegerekend het geld dat van het meer van Moiris en de visvangst kwam.[8] Die 700 talenten stroomden binnen bóven op dat geld en het erbij berekende voedsel. Voor de Perzen en hun bondgenoten die binnen de witte burcht van Memfis ondergebracht zijn, reserveren ze 120.000 eenheden graan.[9] Dat is het zesde district.

De Sattagyden, Gandariërs, Dadiken en Aparyten waren in dezelfde groep ondergebracht[10] en brachten 170 talenten op. Dat is het zevende district.

Uit Sousa en het overige gebied, dat van de Kissiërs, kwamen 300 talenten. Dat is het achtste district.

Districten 9-12

[92] Uit Babylon en de rest van Assyrië kwamen voor hem duizend zilveren talenten binnen en vijfhonderd jongens voorbestemd als eunuchen. Dat is het negende district.

Uit Agbatana, de rest van het Medische gebied, dat van de Parikaniërs en de Orthokorybantiërs kwamen 450 talenten. Dat is het tiende district.

De Kaspiërs, Pausiken, Pantimathen en Dareiten deden een gezamenlijke bijdrage en brachten tweehonderd talenten in. Dat is het elfde district.

Voor het gebied van de Baktriërs tot aan dat van de Aiglen bedroeg de afdracht 360 talenten. Dat is het twaalfde district.

Districten 13-16

[93] Uit het gebied van de Paktyën en de Armeniërs en hun buurvolkeren tot aan de Pontos Euxeinos kwamen vierhonderd talenten. Dat is het dertiende district.

Van de Sagartiërs, de Sarangen, de Thamaneërs, de Outiërs, de Myken en de bewoners van de eilanden in de Rode Zee,[11] waar de Perzische koning de zogeheten gedeporteerden huisvest,[12] van hen allen komt een afdracht van zeshonderd talenten. Dat is het veertiende district.

De Saken en Kaspiërs[13] droegen 250 talenten af. Dat is het vijftiende district.

De Parthen, Chorasmiërs, Sogden en Ariërs droegen driehonderd talenten af. Dat is het zestiende district.

Districten 17-20

[94] Parikaniërs[14] en Ethiopiërs uit Klein-Azië[15] droegen vierhonderd talenten af. Dat is het zeventiende district.

De Matiënen, Saspeiren en Alarodiërs werden voor tweehonderd talenten aangeslagen. Dat is het achttiende district.

De Moschen, Tibarenen, Makronen, Mossynoiken en Maren was een bedrag van driehonderd talenten opgelegd. Dat is het negentiende district.

De Indiërs vormen, voorzover wij weten, verreweg de allergrootste bevolkingsgroep en droegen, vergeleken bij alle anderen, 360 talenten aan goudkorrels af. Dat is het twintigste district.

De totalen

[95] Als je een zilveren Babylonisch talent vergelijkt met dat van Euboia, staat dat gelijk aan 9540 talenten.[16] Als je op het goud een factor 13 toepast,[17] kom je voor de goudkorrels op een waarde van 4680 Euboïsche talenten. Wanneer je alle bedragen bij elkaar optelt, werden er voor de jaarlijkse afdracht aan Dareios 14560 Euboïsche talenten bijeengebracht.[18] Kleinere bedragen rond ik af en laat ik onvermeld.[19]

[96] Dit is de belasting die Dareios toekwam uit Klein-Azië en een klein deel van Libya.[20] Na verloop van tijd kwam er nog meer belasting binnen van de eilanden[21] en de inwoners in Europa tot aan Thessalia. Die inkomsten werden door de Perzische koning op de volgende wijze bewaard. Hij liet het geld omsmelten en in voorraadpotten van aardewerk gieten. Was het vat eenmaal gevuld, liet hij het aardewerk eromheen weghalen. Wanneer hij behoefte aan geld had, liet hij telkens zoveel munten slaan als hij nodig had.

Donaties en vrijstellingen

[97] Dat nu waren de rijksdelen en de belastingaanslagen. Het Perzische gebied is het enige dat door mij niet belastingplichtig is genoemd. De Perzen leven in een gebied dat niet onder de belastingen valt. Ze waren dan wel helemaal niet verplicht belasting af te dragen, maar gaven wel donaties.

De Ethiopiërs aan de grens met Egypte, door Kambyses onderworpen toen hij tegen de Ethiopiërs ‘met het lange leven’ optrok,[22] die in het heilige Nysa wonen en de feesten ter ere van Dionysos houden, hebben net als hun buurvolkeren hetzelfde sperma als de Kallantiërs in India[23] en bezitten onderaardse woningen. Deze beide volkeren droegen om de twee jaar belasting af en doen dat nog steeds in mijn tijd: meer dan twee liter onbewerkt goud,[24] tweehonderd stammen ebbenhout, vijf Ethiopische jongens en twintig slagtanden van olifanten.

De Kolchiërs en hun buurvolkeren tot aan het Kaukasosgebergte (tot dat gebergte heersten de Perzen, in het gebied ten noorden daarvan waren zij helemaal niet geïnteresseerd) deden nog tot in mijn tijd om de vier jaar schenkingen die zij zich lieten opleggen:[25] honderd jongens en honderd meisjes.

De Arabieren droegen elk jaar duizend talenten aan wierook af. Dit waren náást de belasting de schenkingen van die volkeren aan de Perzische koning.


[1] Dit waren andere Magneten (uit Karia) dan die uit Magnesia in Thessalia.

[2] De schrijver staat stil bij het gebied Milyas (zie boek 1, hfdst. 173).

[3] De technische term die de schrijver voor een ‘belastingregio’ hanteert is nomos (Gr. νόμος, zie ook volgend hfdst.).

[4] Wschl. hetzelfde volk als dat van de Kableën (vgl. boek 7, hfdst. 77); volgens de schrijver zijn Kabēleën en Lasoniërs een en hetzelfde, Lydische volk (ibidem).

[5] Slechts een enkele keer is de schrijver in deze passage expliciet over het materiaal van de talenten; gemakshalve mag worden verondersteld dat het in alle gevallen over zilveren talenten ging.

[6] Het jaar bestaat gemakshalve uit 12 maanden van ieder 30 dagen (of volgens de Attische kalender 10 maanden van 36 dagen).

[7] De grootte van het gebied (vgl. boek 1, hfdst. 72) bepaalde blijkbaar de hoogte van de afdracht (ook gemeld in boek 5, hfdst. 49).

[8] Bij de opbrengsten van het meer van Moiris staat de schrijver stil in boek 2, hfdst. 149.

[9] De eenheden worden door de schrijver niet als zodanig benoemd, maar het zal wschl. gaan om medimnoi; een medimnos is een inhoudsmaat voor droge stoffen met een omvang van 48 liter.

[10] Deze volkeren zullen in het noordoosten van het Perzische rijk hebben geleefd (in huidig Afganistan).

[11] Hiermee wordt eerder de Perzische Golf bedoeld.

[12] Deportatie van hele volksstammen wordt ook gemeld van de Barkeërs (zie boek 4, hfdst. 164), de Paioniërs (zie boek 5, hfdst. 12 & 14) en de Eretriërs (zie boek 6, hfdst. 119).

[13] Andere dan die genoemd in hfdst. 92 (de in het noorden wonende Kaspiërs). 

[14] Deze zijn reeds eerder (zie hfdst. 92) genoemd; miss. bedoelt de schrijver de Paretakenen, een Medische volksstam (vgl. boek 1, hfdst. 101).

[15] De schrijver noemt ze ‘Ethiopiërs’ klaarblijkelijk om hun donkere huidskleur.

[16] Dit aantal houdt in dat er sprake is van 7338½ Babylonische talenten (verhouding Bab. : Eub. = 6 : 7,8, vgl. hfdst. 89 en opm. 199), een onwaarschijnlijk, want niet rond bedrag; als de conjectuur van ‘9880’ correct is, levert dit het juiste, wel ronde bedrag aan talenten (minus de 140 talenten besteed aan de bewakingstroepen in Kilikia en het Indische goud) op, t.w. 7600. 

[17] Andere auteurs gaan gemakshalve uit van een verhouding van 1:10 voor zilver ten opzichte van goud; de schrijver is nauwkeuriger, want de juiste verhouding is 1: 13,3.

[18] Omgerekend naar Babylonische talenten is dat 14560/7,8*6 = 11200.

[19] De schrijver noteert het bedrag volgens goed Grieks gebruik door het hoogste getal het eerst te noemen en het laagste het laatste, t.w. ‘10.000 en 4000 en 500 en 60’; hij zegt hier feitelijk dat hij bedragen lager dan 60 in de berekening niet meeneemt.

[20] Egypte, Kyrene en Barke wel te verstaan.

[21] De eilanden in de Egeïsche Zee die onder Perzisch bewind kwamen.

[22] Deze legerexpeditie is eerder genoemd (zie hfdst. 17 e.v.).

[23] Over de kleur van hun sperma weidt de schrijver verderop (zie hfdst. 101) uit.

[24] Om precies te zijn 2 choinikes, bij elkaar 2,16 liter (een choinix, Gr. χοῖνιξ, is een inhoudsmaat van 1,08 liter); het goud was niet omgesmolten in baren of munten.

[25] Deze formulering impliceert een vrijwillige bijdrage.