Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

De taken van de priesters

[37] Egyptenaren zijn extreem gelovig (geen ander volk doet het hen na) en houden er ongeveer de volgende gebruiken op na. Ze drinken uit bekers van brons die ze iedere dag schoonspoelen; echt iedereen doet dat, zonder uitzondering. De kleren die ze dragen, zijn van linnen en komen altijd zó uit de was, iets waarin zij zeer stipt zijn. Zij laten zich besnijden uit overwegingen van hygiëne, omdat zij liever schoon zijn dan welgevormd.[1] De priesters scheren zich om de dag hun hele lichaam om te voorkomen dat een luis of ander viezigheid op hen zit, wanneer zij een dienst voor de goden houden. De priesters dragen kleren van enkel linnen en sandalen van papyrus.[2] Andere kleren of sandalen mogen ze niet aantrekken. Ze wassen zich tweemaal overdag en tweemaal ’s nachts met koud water. Er zijn nog andere rituelen die ze verrichten en dat zijn er bij wijze van spreken ontelbaar veel.

Bevoorrechte positie

Ze hebben recht op talloze voordeeltjes, want niets maken zij op of geven ze uit van het eigen vermogen. Er wordt voor hen heilig voedsel gekookt en eenieder van hen krijgt elke dag volop rund- en ganzenvlees. Ze krijgen zelfs wijn.[3] Daarentegen is het ze niet toegestaan vis te eten. Bonen zaaien de Egyptenaren helemaal niet uit over hun land en de bonen die er groeien, worden door hen rauw noch gekookt gegeten. De priesters verdragen het zelfs niet ze te zien, want ze vinden dat bonen geen reine peulvruchten zijn. Je hebt niet één priester voor iedere godheid, maar vele, van wie er één de hoofdpriester is. Wanneer een van hen is overleden, volgt z’n zoon hem op.

Het keuren van offerdieren

[38] Ze vinden dat de stieren aan Epafos[4] gewijd zijn en om die reden keuren ze de dieren als volgt. Als bij inspectie blijkt dat een stier ook maar één zwarte haar heeft, wordt hij onrein bevonden.[5] Een van de priesters die met die taak is belast, onderzoekt het dier, terwijl het rechtop staat, maar ook terwijl het op de grond ligt, en hij doet dat ook door de tong ver naar buiten te trekken om te zien of deze vrij is van de tekens die ze hebben opgesteld en die ik in een volgend verhaal[6] zal noemen.[7] Hij loopt ook de haren van de staart langs en kijkt of ze op normale wijze zijn gegroeid.[8]

Wanneer het dier vrij van al die tekens is, merkt de priester het met een lint papyrus om de hoorns, waarna hij het lint met zegelaarde bestrijkt en met z’n zegelring een afdruk maakt. Pas dan voeren ze het dier af. Op het offeren van een ongemerkt dier staat de doodstraf. Zo ongeveer verloopt dus de keuring van het dier.

Het offeren

[39] Bij het offeren wordt er door hen een vast ritueel gevolgd. Ze voeren het gemerkte dier naar het altaar waar zij een offer brengen, en stoken vuur. Vervolgens gieten ze daar wijn uit over het offerdier, richten zich tot de god en snijden de hals van het dier door. Als ze dat hebben gedaan, hakken ze het hoofd af. Het lichaam van het dier wordt gevild, maar het hoofd voeren ze af na vele verwensingen erover uitgeroepen te hebben. Als er een markt is en er Griekse handelaren in het land zijn, brengen ze het naar de markt en verkopen het, maar als er geen Grieken zijn, gooien ze het weg in de rivier. Met hun verwensingen aan de hoofden spreken ze het verlangen uit dat, áls de offeraars of heel Egypte enig kwaad te wachten staat, dit zich richt op dat hoofd.

Met het oog op de hoofden van de dieren die geofferd worden en het uitgieten van de wijn passen alle Egyptenaren zonder onderscheid dezelfde regels toe op álle offerdieren en op grond van dat gebruik zal geen enkele Egyptenaar het hoofd eten van enig ander dier.


[1] Op Griekse vaasschilderingen worden naakte mannen, c.q. saters en silenen, vaak met een ongeschonden en lange voorhuid afgebeeld; vermoedelijk gold dit als schoonheidsideaal bij de Griekse mannen.

[2] Elders noemt de schrijver andere toepassingen van papyrus: voedsel (zie hfdst. 92), zeilen (zie hfdst. 96), schrijfmateriaal (zie boek 5, hfdst. 58), kabels (zie boek 7, hfdst. 36).

[3] Dit schijnt in tegenspraak met wat er in hfdst. 77 wordt gezegd, want er zouden in Egypte geen druivenranken groeien; daarentegen werd er vanuit Griekenland en Foenicië volop wijn geïmporteerd (zie boek 3, hfdst. 6).

[4] De Egyptische Apis werd door de Grieken gelijkgesteld aan Epafos (vgl. hfdst. 153), in de mythologie de zoon van Zeus en Io.

[5] De dieren die ook maar één zwarte haar vertoonden, mochten bij gevolg niet worden geslacht.

[6] Deze formulering is een zeldzame verwijzing naar de indeling van de Historiën in een cyclus van ‘verhalen’, logoi (Gr. λόγοι, vgl. inleiding).

[7] Het gaat om een lijst van vier (zie boek 3, hfdst. 28).

[8] Op de staart mogen geen ‘dubbele haren’ voorkomen, een van de vier kenmerken van de Apis-stier (zie boek 3, hfdst. 28).