Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Samos coalitiegenoot

[90] Artabazos keerde op die wijze terug in Klein-Azië. De gebeurtenissen bij Mykale in Ionia vielen op precies dezelfde dag samen met die bij Plataiai. Toen de Grieken die op hun schepen samen met de Lakedaimoniër Leutychides waren gekomen bij Delos voor anker lagen, kregen zij vanuit Samos bezoek van de gezanten Lampon, zoon van Thrasykles, Athenagoras, zoon van Archestratides, en Hegesistratos, zoon van Aristagoras. Zij waren door de Samiërs gestuurd, uit het zicht van de Perzen en hun heerser Theomestor, zoon van Androdamas, door de Perzen aangesteld als heerser van Samos.[1]

Hegesistratos’ argumenten

Toen ze voor hun aanvoerders waren verschenen, kwam Hegesistratos met allerlei argumenten: “De Ioniërs hoeven jullie slechts in het oog te krijgen, of zij zouden tegen de Perzen in opstand komen en de buitenlanders zouden jullie komst niet afwachten. Zijn zij dat wel van plan, dan zullen jullie geen tweede vangst als deze tegenkomen. Ik roep onze gemeenschappelijke goden aan en doe op jullie een beroep om de Grieken voor slavernij te behoeden en de buitenlanders terug te drijven.[2] Dit is voor jullie een peulenschil om te laten gebeuren: hun schepen zijn niet voor de zee geschikt en niet opgewassen tegen die van jullie.”[3] Dat was wat hij zei. Mochten ze het vermoeden hebben dat hun pogingen een list betroffen, waren zij bereid zich te laten gijzelen en op hun schepen te laten meevoeren.

Hegesistratos legeraanvoerder

[91] Omdat zijn contactpersoon uit Samos hardnekkig bleef aandringen, vroeg Leutychides: “Samische vriend, wat is jouw naam?”[4] Misschien wilde hij die weten om een voorteken te krijgen of zomaar, door een god ertoe gebracht. De man antwoordde: “Hegesistratos…” De ander onderbrak hem echter, voor het geval Hegesistratos nog wat had willen zeggen, en zei: “Ik neem, vriend uit Samos, jou als legeraanvoerder aan.[5] Zorg ervoor dat jij en deze mensen in jouw gevolg pas terugvaren, als jullie de garantie hebben gegeven dat de Samiërs werkelijk bereid zijn met ons een alliantie aan te gaan.”

Nomen est omen

[92] Zo sprak hij en hij voegde de daad bij z’n woorden, want meteen zegden de Samiërs onder ede hun alliantie met de Grieken toe en voeren, toen zij dat hadden gedaan, terug mét Hegesistratos, want Leutychides liet hem met hen meevaren,[6] omdat hij in zijn naam een gunstig voorteken zag. De Grieken stelden die dag hun vertrek uit en wilden gunstige offers brengen. Hun ziener was Deïfonos, zoon van Euenios, uit Apollonia, de stad aan de Ionische Golf om precies te zijn.

Bijzondere schapen

[93] Zijn vader overkwam het volgende. Je hebt in Apollonia aan Helios[7] gewijde schapen die overdag grazen aan de oever van de rivier die vanuit het Lakmongebergte door het gebied van Apollonia in zee uitmondt bij de haven Orikos.[8] ’s Avonds worden zij door een selecte groep mannen in de gaten gehouden, de prominentste burgers wat rijkdom en afkomst betreft. Eenieder van hen doet dat een jaar lang. Een orakelspreuk heeft ervoor gezorgd dat de inwoners van Apollonia die schapen een bijzondere behandeling gaven: ze worden in een grot op enige afstand van de stad op stal gezet.

Euenios gestraft

In die tijd was het de beurt aan de genoemde Euenios om de wacht te houden. Op een keer was hij tijdens de wacht in slaap gevallen, waarop wolven de grot binnendrongen en ongeveer zestig schapen doodden. Toen hij besefte wat er gebeurd was, hield hij het voor zich en vertelde het aan niemand, want hij dacht ze te vervangen door andere te kopen. Het liep anders, want het was de inwoners van Apollonia niet ontgaan wat er was gebeurd. Toen zij het ontdekt hadden, sleepten ze hem voor de rechter en het vonnis luidde dat hij, die tijdens de wacht zijn ogen had gesloten, van zijn gezichtsvermogen moest worden beroofd.[9] Meteen nadat zij Euenios blind hadden gemaakt, wierpen hun schapen geen jongen meer en bracht ook het land geen vruchten op.

Reacties uit Delfi en Dodona

Wel bereikten hen uit Dodona en Delfi voorspellingen. Zij vroegen de zieners naar de oorzaak van de ellende die ze beleefden, en hen werd duidelijk gemaakt dat ze Euenios, de bewaker van de heilige schapen, ten onrechte van zijn gezichtsvermogen hadden beroofd. Hun meesters[10] hadden de wolven op weg gestuurd en zouden pas ophouden hem bij te staan, wanneer hij voor het leed dat hem was aangedaan, werd gecompenseerd met iets wat zijn eigen keuze was en door hem voldoende werd gevonden. Als aan deze eisen werd tegemoetgekomen, zouden hun meesters Euenios zo’n geschenk geven om het bezit waarvan vele mensen hem gelukkig zouden prijzen.

[94] Zo luidden de profetieën die zij van de orakels te horen kregen. De inwoners van Apollonia hielden deze geheim en droegen bepaalde burgers op tot een oplossing te komen. Dat deden ze als volgt. Toen Euenios eens op een bankje zat, kwamen ze bij hem zitten en spraken over ditjes en datjes om dan op het punt te komen dat ze het zo met hem te doen hadden. Op geraffineerde wijze stipten ze het onderwerp aan en vroegen hem welke compensatie hij zou kiezen, als de inwoners van Apollonia een poging wilden doen die te geven voor wat ze hem hadden aangedaan.

Misleiding

Euenios, die geen notie had van de profetieën, sprak zijn keuze uit. Als iemand hem grond zou geven (hij noemde de namen van medeburgers van wie hij wist dat zij de mooiste kavels in Apollonia bezaten) en daarbij de mooiste woning die hij in de stad kende… “Tja, als ik daarover de beschikking zou krijgen, zal ik voortaan geen haat meer koesteren en met die compensatie kunnen leven.”

Als reactie op zijn woorden zeiden de mensen die naast hem zaten: “Euenios, jij krijgt, omdat de inwoners van Apollonia jou helemaal blind hebben gemaakt, deze compensatie, en zij geven hiermee gehoor aan de orakelspreuken die hen bereikt hebben.” Dat maakte hem kwaad, want hij voelde zich bedrogen, omdat hij achteraf te horen kreeg hoe het precies gegaan was.[11]

Ze kochten de bezittingen van de eigenaren op en gaven hem dat, waarop zijn keuze was gevallen. Direct hierna bezat hij een natuurlijke gave tot het doen van voorspellingen en werd hierom zelfs beroemd.

[95] Deïfonos was dus de zoon van die Euenios en diende als waarzegger in het leger,[12] waar hij door de Korinthiërs is terechtgekomen.[13] Ik heb een tijd terug ook gehoord dat Deïfonos, ‘liftend’ op de naam van Euenios, overal in Griekenland eraan verdiende, terwijl hij niet de zoon van Euenios was.


[1] Deze positie dankte hij aan zijn rol in de slag bij Salamis, waar hij als een van de weinige scheepscommandanten Griekse schepen wist te veroveren (zie boek 8, hfdst. 85).

[2] Dezelfde argumenten zijn een kleine twintig jaar eerder door Aristagoras gehanteerd ten overstaan van de Spartaanse koning Kleomenes (vgl. boek 5, hfdst. 49).

[3] Aan de vooravond van de slag bij Salamis was Themistokles een andere mening toegedaan (vgl. boek 8, hfdst. 60α).

[4] Het is onwaarschijnlijk dat Hegesistratos in een onderhoud met de Lakedaimonische legerleiding zich en zijn medegezanten niet introduceerde.

[5] Nomen est omen: zijn naam betekent letterlijk ‘legeraanvoerder’ (Gr. ἡγησίστρατος) en Leutychides zag hierin een gunstig voorteken.

[6] Na de toezegging van de Samiërs was er geen reden meer om de gezanten te gijzelen.

[7] Phoibos (‘stralende’) Apollo werd vaak als zonnegod, Helios (Gr. ἥλιος), vereerd, evenals Zeus.

[8] Een vergissing van de schrijver: het kan alleen gaan om de rivier Aoös, die wel langs Apollonia stroomt, maar niet bij Orikos in zee uitmondt.

[9] De straf betrof het lichaamsdeel dat in gebreke was gebleven.

[10] In de grondtekst staat niet meer dan “zijzelf”, autoi (Gr. ), een verwijzing naar de goden van de orakels, Zeus en Apollo; het is goed gebruik in het Grieks met autos, “hijzelf”, de heer des huizes of de meester van de dienaren aan te duiden.

[11] Zou Euenios geweten hebben van de laatste orakelspreuk, had hij de meest exorbitante eisen kunnen stellen; het een en ander tekent wel de aard van de inwoners van Apollonia.

[12] Het legeronderdeel wel te verstaan dat op Delos gelegerd was (zie hfdst. 90, begin).

[13] Apollonia was een kolonie aan de westkust van Griekenland, gesticht door de Korinthiërs.