[137] De eerste van zes voorvaderen van die Alexandros is Perdikkas geweest[1] die op ongeveer de volgende wijze de macht verkreeg over de Makedoniërs. Drie afstammelingen van Temenos waren uit Argos naar Illyria gevlucht, de broers Gauanes, Aëropos en Perdikkas. Vanuit Illyria staken zij over naar Noord-Makedonië,[2] waar zij de stad Lebaië bereikten.
Wonderlijk brood
Daar waren zij in loondienst voor de koning:[3] de een verzorgde de paarden, de ander de runderen, de jongste van hen, Perdikkas, het kleinvee. Vroeger hadden ook de koningshuizen het niet al te breed (en niet alleen het gewone volk) en het eten koken, dat deed de koningin zélf. Maar telkens wanneer zij brood ging bakken, kreeg het brood van het jonge knechtje Perdikkas zomaar een dubbele omvang.
Beloond met zonlicht
Dat gebeurde zo vaak, dat zij het haar man vertelde. Wat hij van haar hoorde, deed hem meteen eraan denken dat het een teken was en op iets groots wees. Hij riep z’n knechten bij zich en beval hen zijn land te verlaten. Ze zeiden dat zij recht op loon hadden en pas na ontvangst daarvan zouden vertrekken. Een zonnestraal trok de woning binnen langs het dakgat[4] en toen de koning dat van dat loon hoorde, verloor hij iedere zin voor realiteit en sprak: “Dit is het loon dat jullie verdienen en ik jullie geef.” Hij wees op het zonlicht.
Gauanes en Aëropos, de oudere broers, stonden van verbazing aan de grond genageld, toen zij die woorden hoorden. De jongste had toevallig een mes bij zich en zei: “Dank u wel, koning, voor uw gift.” Met het mes trok hij op de vloer van de woning een cirkel om het zonlicht om daarna met een scheppende beweging het driemaal naar zijn borst te brengen.[5] Hij vertrok en de anderen volgden hem.
Achtervolging
[138] Nadat zij weggegaan waren, legde een van z’n adviseurs de koning uit wat voor een handeling de jongen had uitgevoerd en dat de jongste van het drietal heel goed wist wat hij deed, toen hij wat hem werd gegeven in ontvangst nam. De koning hoorde dat, werd spinnijdig en stuurde ruiters eropuit om ze te doden. In die streek heb je een rivier waar de afstammelingen van die mannen uit Argos offers brengen als dank voor hun redding. Toen de zonen van Temenos die waren overgestoken, begon deze zo heftig te stromen dat de ruiters die niet konden oversteken.
Plantsoen van Midas
Eenmaal aangekomen in een ander gebied van Makedonia vestigden zij zich vlakbij het vermeende plantsoen van Midas, zoon van Gordias. Daar groeien rozen in het wild met elk zestig bloemblaadjes en geuriger dan andere bloemen.[6] In dat plantsoen is ook de bekende sileen aangehouden, zoals de Makedoniërs graag vertellen.[7] Het park ligt aan de voet van een berg, genaamd Bermion, die de weersomstandigheden onbegaanbaar maken.
Toen ze dat gebied in handen hadden gekregen, trokken ze vandaaruit verder en onderwierpen ook de rest van Makedonia.
[1] Voor de volledige genealogie zie verderop (hfdst. 139).
[2] Het ‘oversteken’ houdt in dat zij door bergachtig gebied trokken.
[3] Volgens Pausanias (Perihegesis 9.40.8) was dat Kisseus (Gr. Κισσεύς).
[4] De woning weerspiegelt de armoedige omstandigheden waarin het koningspaar leefde: het zal niet meer dan een hut met dakopening en lemen vloer zijn geweest.
[5] Op symbolische wijze eigent Perdikkas zich een centraal deel van de koninklijke woning toe.
[6] Dit is de enige keer dat de schrijver deze bloem noemt; de beschrijving wijst op cultivatie om zijn pracht.
[7] Verwijzing naar Marsyas (vgl. boek 7, hfdst. 26), die als een wild dier gevangen is en aan wie Midas vragen stelt over het menselijk bestaan, waarop de sileen als antwoord gaf dat het beste voor een mens is om niet geboren te worden en het op één na beste om zo snel mogelijk te sterven (Cicero, Tusculanae Disputationes 1.48).