Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Het goud uit India

[98] Het meeste goud (dit komt, zoals is opgemerkt,[1] in de vorm van korrels bij de Perzische koning) verkrijgen de Indiërs op ongeveer de volgende wijze.[2] Ten oosten van het Indische gebied heb je alleen maar zand. De Indiërs zijn van alle mensen in Azië,[3] van wie wij dat weten en met enige zekerheid iets kan worden gezegd, degenen die het verst in het oosten wonen. Dat zand maakt dat je ten oosten van de Indiërs woestijn hebt.

Diverse volksstammen

Van de Indiërs heb je vele volksstammen en ze spreken niet dezelfde taal. Sommigen van hen zijn nomaden, anderen niet. Weer anderen leven in de moerassen van de rivier en leven van rauwe vis die ze vanuit van riet gevlochten vaartuigen vangen. Elk vaartuig heeft de lengte van één lid riet.[4] Deze Indiërs dragen kleren gemaakt van biezen. Wanneer ze de biezen uit de rivier hebben gekapt en platgeslagen, vlechten ze die daarna aaneen tot een mat en dragen die als een harnas.

[99] Andere Indiërs, die nog verder in het oosten leven dan zij, zijn nomaden, eten rauw vlees en heten Padaiërs. Zij houden naar verluidt de volgende gewoontes erop na. Als een van hun medeburgers, man of vrouw, ziek wordt, wordt de man door de mannen die het meeste contact met hem hebben gedood. Zij motiveren dat door te zeggen dat, doordat hij door ziekte wordt aangetast, zijn vlees voor hen verloren gaat. Wie ontkent dat hij ziek is, wordt door de anderen zonder pardon omgebracht en er wordt van zijn vlees een feestmaal bereid. Als een vrouw ziek wordt, doen de vrouwen die haar beste vriendinnen zijn precies hetzelfde als wat de mannen doen.[5]

Wie van hen nu een hoge leeftijd heeft bereikt, wordt geofferd[6] en met smaak opgegeten. Het zijn er niet veel die dat aantal jaren bereiken, want eenieder die ziek is geworden, wordt door hen gedood.

Ascetisme en voortplanting

[100] Weer andere Indiërs hebben de volgende levenswijze. Zij doden geen levend wezen, zaaien niets uit, kennen niet de gewoonte huizen te bezitten en leven van kruiden.[7] Ze kennen iets in een dop dat zo groot is als gierst en vanzelf uit de aarde opkomt.[8] Dit wordt door hen verzameld, met dop en al gekookt en zo opgegeten.

Wie van hen ziek wordt, gaat in de woestijn liggen. Niemand bekommert zich om hem, of hij nu gestorven of ziek is.

[101] De geslachtsdaad doen alle Indiërs die ik heb genoemd voor ieders ogen, precies zoals vee dat doet.[9] Ze hebben allemaal bijna dezelfde huidskleur als de Ethiopiërs.[10] Hun sperma waarmee zij hun vrouwen bevruchten, is niet zoals bij andere mensen wit, maar net zo zwart als hun huid. Ook Ethiopiërs produceren zulk sperma.

Deze Indiërs leven nog verder weg van de Perzen én zuidelijker. Ze zijn nooit onderdanen van Dareios geworden.

Reuzenmieren

[102] Weer andere Indiërs leven aan de grenzen van de stad Kaspatyros en het gebied van de Paktyën, ten noorden van de rest van de Indiërs. Hun levenswijze is vergelijkbaar met die van de Baktriërs. Het zijn tevens de vechtlustigste Indiërs die ook op het goud worden afgestuurd. In hun buurt is het vanwege het zand een en al woestijn.

In het zand van die woestijn komen mieren voor, niet zo groot als honden, maar groter dan vossen.[11] Een paar hebben ze weten te vangen en lopen rond aan het hof van de Perzische koning.[12] Die mieren richten voor zichzelf een hol in onder de grond, delven het zand op op dezelfde wijze als de mieren bij de Grieken en lijken er sprekend op. Het zand dat is gedolven, bevat goud.

Met kamelen op pad

De Indiërs begeven zich voor dat zand de woestijn in. Eenieder heeft drie kamelen onder één juk gebracht, links en rechts een mannetje om voort te trekken, een vrouwtje ertussen in. Hijzelf stapt op het vrouwtje en heeft ervoor gezorgd dat hij er een heeft ingespannen dat hij kortgeleden van haar jongen heeft gescheiden.[13] Hun vrouwtjeskamelen zijn niet trager dan paarden en daarenboven sterker om een flinke last te dragen.

Roodfigurige, Attische lēkythos uit ca. 410-400 vóór Christus, met afbeelding van een Pers of misschien wel Dionysos op een kameel (bron: britishmuseum.org).

[103] De Grieken weten wel hoe een kameel eruitziet en ik geef er geen beschrijving van. Ik zal alleen beschrijven wat ze er niet van weten. Aan de achterpoten heeft een kameel vier dijen en vier knieën.[14] De geslachtsdelen zijn langs de achterbenen naar z’n staart gekeerd.[15]

Felle zon

[104] Op zo’n manier, met zo’n span dieren dus, gaan de Indiërs op het goud af. Ze houden er rekening mee dat, wanneer de hitte op z’n hoogst is, zij toch op rooftocht kunnen gaan. De mieren verdwijnen namelijk onder de grond, als het warm is. De zon is bij hen ’s ochtends op z’n heetst, niet ’s middags zoals bij anderen, maar vanaf zonsopgang tot aan het scheiden van de markt.[16] Dan brandt de zon veel feller dan ’s middags in Griekenland, zo erg dat zij volgens zeggen op dat tijdstip zich met water overgieten. Het midden van de dag is voor de anderen bijna even heet als voor de Indiërs. Wanneer de middag op z’n eind loopt, krijgen zij een ochtendzon, zoals de anderen die kennen. Als die daarna weggaat, zorgt dat voor nog meer afkoeling, totdat bij zonsondergang het écht fris wordt.

Te slim af

[105] Zodra de Indiërs met hun zakjes het gebied hebben betreden, vullen ze die met zand en keren zo snel mogelijk terug. De mieren vangen namelijk hun geur op, zoals door de Perzen wordt beweerd, en zitten hen achterna. Geen ander dier is zó snel als de mieren dat de Indiërs het er niet levend van af zouden brengen, als ze geen voorsprong namen, terwijl de mieren zich aan het groeperen zijn. De mannetjeskamelen nu laten zich meesleuren, want ze zijn minder snel dan de vrouwtjes, en worden allebei, maar niet tegelijk losgelaten.[17] De vrouwtjes denken aan de jongen die ze hebben achtergelaten[18] en tonen geen spoor van verslapping.

Dat is de wijze waarop de Indiërs volgens de Perzen aan het overgrote deel van het goud komen. In het land wordt nog meer goud opgegraven,[19] maar dat is niet zoveel.

Aanbevolen literatuur

Het zou bij de reuzenmier om de Himalayaanse marmot kunnen gaan volgens Michel Peissel, L’or des fourmis: La découverte de l’Eldorado grec au Tibet  (uitg. Robert Laffont, 1984). 

De bronnen uit de klassieke oudheid die de gouddelvende mieren beschrijven, komen alle aan bod bij Stavros Solomou, Greek Knowledge of India Before The Fourth Century B.C., masterscriptie Univ. British Columbia (1992), hfdst. 3.13, pp. 88-99.

De reuzenmieren zijn geen verzinsel, maar wellicht marmotten, zoals die aan de bovenloop van de Indus in het Himalayagebergte nog altijd voorkomen en ook goud opgraven… Zie artikel van Marlise Simons die hierover al in 1996 berichtte in de New York Times.

Over de goudmijnen in Ladakh (Noord-India) en de naar goud gravende ‘mieren’ bestaat een serieuze studie van Martin Vernier, “Fertilissimi sunt auri Dardae, setae vero et argenti”. Notes on some
ancient open-air gold mining sites in Ladakh
, in: Études mongoles et sibériennes, centrasiatiques et tibétaines, nr. 51 (2020).


[1] De Indiërs droegen hun belasting af in goud (zie eind hfdst. 94), waar andere volksstammen met zilveren talenten betaalden.

[2] De schrijver staat stil bij de herkomst van het Indische goud, maar een nauwkeurige beschrijving daarvan komt pas in hfdst. 102 aan bod.

[3] Dit is een uitzondering op de regel dat in de Historiën met ‘Azië’, Asia (Gr. Ἀσία), ‘Klein-Azië’ wordt bedoeld.

[4] De schrijver heeft het over een reuzensoort en zegt in feite dat de vaartuigen de lengte hadden van één lid (van knoop tot knoop) van een rietstengel; over de afmetingen laat de schrijver zich verder niet uit, maar hij gebruikt wel de term voor een boot waarmee een vracht kon worden vervoerd, een ploion (Gr. πλοῖον).

[5] Een vergelijkbare vorm van kannibalisme wordt toegeschreven aan de Issedonen (zie boek 4, hfdst. 26).

[6] De gezonde mensen worden op rituele wijze om het leven gebracht.

[7] Is dit, historisch gesproken, de vroegste verwijzing naar het leven van Brahmanen en hun ascetisme?

[8] Heeft de schrijver het over rijst?

[9] Dezelfde opmerking wordt gemaakt over de Massageten (zie boek 1, hfdst. 203).

[10] Miss. bedoelt de schrijver de Klein-Aziatische Ethiopiërs (vgl. hfdst. 94), zo door hem genoemd ten onderscheid van de Ethiopiërs in Noord-Afrika.

[11] De beschrijving hier doet vermoeden dat het eerder om een soort knaagdier (Himalayaans marmot) gaat dan echte mieren; de verklaring even verderop dat ze sprekend op de mieren in Griekenland lijken, doet vermoeden dat de schrijver de reuzenmieren zelf nooit heeft gezien of op z’n minst een verkeerde (Perzische) vertaling van het Indiase woord heeft gehoord.

[12] De Perzische vorst zal zijn eigen dierentuin hebben gehad met bijzondere diersoorten die hij uit alle hoeken van zijn rijk heeft laten overbrengen.

[13] Het vrouwtje wil zo gauw mogelijk naar huis en is fanatiek; de mannetjes zijn ervoor het vrouwtje (in ieder geval op de heenweg) in de juiste baan te houden.

[14] Een kameel is een gehoefd dier, waardoor de schrijver in de achterwaarts geprononceerde enkels een extra paar knieën zag.

[15] Het spreekt voor zich dat deze laatste opmerking alleen de mannetjeskameel betreft.

[16] Een consequentie van de aanname dat de aarde een platte schijf is, waardoor dat deel van de aarde het heetst wordt waar het de eerste zonnestralen over zich heen krijgt; het scheiden van de markt, agorēs dialysis (Gr. ἀγορῆς διάλυσις) vindt plaats in de late ochtend.

[17] Het kan de bedoeling zijn de mannetjeskamelen aan de mieren ten prooi te geven om zo nog meer voorsprong te krijgen.

[18] Nu blijkt waarom vrouwtjeskamelen werden uitgekozen die zojuist jongen hadden gekregen (vgl. hfdst. 102).

[19] D.w.z. op reguliere wijze.