Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Een muur van hout

[141] Na het horen van die woorden waren de gezanten van de Atheners bijzonder aangeslagen. Wanhopig als zij waren om de rampspoed die hen werd voorspeld, kregen zij van Timon, zoon van Androboulos, in Delfi een van de meest invloedrijke mannen,[1] het advies nog een keer te gaan, nu met smekelingentakken,[2] en het orakel als smekelingen te raadplegen.[3] De Atheners lieten zich hiertoe overhalen en spraken: “Heer,[4] doe ons een gunstigere voorspelling over het vaderland, nu u deze smekelingentakken hebt gezien die wij u komen brengen. Wij gaan niet weg uit de heilige ruimte, maar blijven hier, desnoods tot onze dood.” Op die mededeling kwam de profetes met deze tweede orakelspreuk:

“Pallas kan de Olympische Zeus niet mild stemmen,
door met tal van woorden en grote wijsheid te smeken.
Toch zal ik nog een keer voor u een uitspraak doen, met staal onderbouwd:
wanneer al het andere is bezet wat binnen Kekrops’ grens
en de dalen van de zeer goddelijke Kithairon valt,
gunt Zeus met zijn luide stem Tritogenes
[5] een muur van hout,
het enige dat onneembaar zal zijn en u en uw kinderen zal helpen.
U moet niet rustig de komst van een ruiterij en een landleger
begeleid door vele troepen uit het continent afwachten, maar wijken
en ze de rug toekeren; er komt nog een moment om tegenstand te bieden.
Goddelijk Salamis, jij bezorgt kinderen van vrouwen de dood,
[6]
of nu Demeter wordt uitgestrooid of juist bijeengebracht.”
[7]

De orakelspreuk van de Pythia in boek 7, hfdst. 141.

Wat bedoelt het orakel?

[142] Omdat zij die woorden minder hard vonden dan de eerdere (en dat waren ze ook), lieten zij die vastleggen[8] en keerden ermee terug naar Athene. Toen de gezanten na hun terugkeer rapport uitbrachten aan de volksvergadering, kwamen mensen met diverse opvattingen over de betekenis van de orakelspreuk, waaronder de volgende lijnrecht tegenover elkaar stonden.

De burcht of de schepen

Sommigen van de ouderen zeiden van mening te zijn dat de god het voortbestaan van de burcht had voorspeld; de burcht van de Atheners had vroeger immers een omheining van doornstruiken en zij vermoedden dat dit bedoeld werd met ‘een muur van hout’. Anderen daarentegen zeiden dat de god op hun schepen zinspeelde en stelden voor die in gereedheid te brengen en de rest op te geven. Het was wel duidelijk dat wie zei dat met ‘de muur van hout’ hun schepen werden bedoeld, aan het twijfelen werd gebracht door de laatste regels van de Pythia: “Goddelijk Salamis, jij bezorgt kinderen van vrouwen de dood, of nu Demeter wordt uitgestrooid of juist bijeengebracht.”

Door deze woorden stond de opinie van degenen die dachten dat met ‘de muur van hout’ hun schepen werden bedoeld, niet vast. De orakeluitleggers vatten deze woorden zó op dat het niet anders kon dan dat zij bij Salamis een nederlaag zouden lijden, als zij zich voor een zeeslag opmaakten.

Themistokles

[143] Er was een Athener die sinds kort tot de prominenten was gaan behoren. Hij heette Themistokles en was de zoon van Neokles.[9] Hij was het die zei dat de vermoedens van de orakeluitleggers niet helemaal klopten. Hij redeneerde ongeveer als volgt. Als de spreuk werkelijk op de Atheners sloeg, zou de voorspelling volgens hem niet zo vriendelijk hebben geluid, maar zó beginnen: “Rampzalig Salamis…” in plaats van “Goddelijk Salamis…”, als haar bewoners tenminste de dood zouden vinden. Als zíjn vermoedens juist waren, sloeg de voorspelling die door de god was gedaan op hun vijanden, niet op de Atheners. Hij gaf hen dus het advies zich op te maken om met schepen de strijd aan te gaan, want dat werd in zijn ogen bedoeld met ‘de muur van hout’.

Deze opvatting van Themistokles deed de Atheners inzien dat zijn interpretatie de voorkeur verdiende boven die van de orakeluitleggers die afraadden zich op een zeeslag voor te bereiden en opperden om helemaal geen verzet te plegen, maar Attika te verlaten en zich elders te vestigen.

Zilvermijnen

[144] Hieraan voorafgaand gaf ook een ander voorstel van Themistokles op het juiste moment de doorslag. De schatkist van de Atheners had vele inkomsten die voor hen binnenstroomden uit de mijnen van Laureion, en het scheelde niet veel of hen werden per persoon tien drachmen uitgekeerd.[10] Dat was het moment waarop Themistokles de Atheners ertoe overhaalde om van de verdeling van het geld af te zien en daarvan 200 schepen te bouwen voor de oorlog.[11] Met die oorlog bedoelde hij die tegen de Aigineten.

Maritieme macht

Het uitbreken daarvan werd toen de redding van Griekenland, omdat het de Atheners ertoe dreef zich tot een maritieme macht te ontwikkelen. De schepen werden niet met het doel gebruikt waarvoor zij werden gebouwd, maar kwamen zo tot stand ten behoeve van Griekenland. Dit waren dus de schepen die zij in de aanloop hadden gebouwd en waarover zij konden beschikken, en het was nodig nog meer te bouwen.[12] Het beraad na de orakelspreuk deed hen besluiten de Perzen, als zij Griekenland aanvielen, uit alle macht met hun vloot te onderscheppen, in volledig vertrouwen op de god en samen met iedere Griek die daartoe bereid was.  


[1] Vooraanstaande burgers van de stad konden blijkbaar invloed uitoefenen op de profetieën; hetzelfde deed Kobon voor de Spartanen (zie boek 6, hfdst. 66).

[2] Olijftakken met wollen linten omwikkeld.

[3] In deze vorm kreeg hun verzoek een (nóg) dringender karakter.

[4] De gezanten richten zich direct tot de god Apollo.

[5] Elders Tritogeneia, ‘dochter van Triton’, bijnaam van de godin Athena (vgl. boek 4, hfdst. 180); de naam kan ook verwijzen naar Athena als derde, tritos (Gr. τρίτος) kind van Zeus, na Apollo en Artemis.

[6] De dubbelzinnigheid zit hem hierin dat de kinderen van de Atheners net zo goed als die van de Perzische aanvallers bedoeld kunnen zijn.

[7] Demeter is de godin van de landbouw en haar naam staat hier metonymisch voor het zaad van de gewassen; de uitdrukking wil zoveel zeggen als ‘te eniger tijd’.

[8] Op verzoek (en tegen betaling) kon een mondeling afgegeven orakelspreuk op schrift worden gesteld en daarmee officiële uitspraak worden.

[9] Als jonge dertiger werd hij in 493 vóór Christus tot archont, stadsbestuurder, gekozen. 

[10] Bij een bevolkingsaantal van 30.000 stemgerechtigde mannelijke burgers (vgl. boek 5, hfdst. 97) zou het om een totaalbedrag gaan van 50 talenten, i.e. 1310 kg. aan zilver, omgerekend naar de huidige zilverprijs (stand oktober 2023) een slordige € 920.000.

[11] De bouw van de vloot begon in 483 vC en vergde drie jaar; het totale budget bedroeg omgerekend (zie opm. bij voorgaande voetnoot) € 2.760.000, wat betekent dat een oorlogsschip gemiddeld € 13.500 kostte.

[12] In het begin waren dat minder dan 60; het streven was om in totaal over 200 schepen te beschikken.