Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Buit en begraven van de doden

[80] Pausanias had een dienstbevel doen uitgaan dat niemand aan de buit mocht komen en liet de heloten de bezittingen inzamelen. Zij verspreidden zich over het legerkamp en vonden tenten ingericht met goud en zilver, vergulde en verzilverde bedden, gouden mengvaten, kruiken en ander drinkgerei. Op wagens troffen ze zakken aan die gouden en zilveren schalen bleken te bevatten. Van de lijken die er lagen, haalden ze armbanden, halskettingen en de zwaarden weg, voorzover die van goud waren; van geborduurde kleding is niet één keer melding gemaakt. Bij die gelegenheid stalen de heloten veel wat ze aan de Aigineten verkochten; zij kwamen ook met vele dingen aanzetten, die zij niet achterover konden drukken. Het gevolg was dat de grote rijkdom van de Aigineten daar zijn oorsprong had, want ze kochten het goud van de heloten, alsof het zo te zien om brons ging.[1]

Geschenken aan de goden

[81] De bezittingen werden bijeengebracht en ze legden een tiende deel van de opbrengst apart voor de god in Delfi,[2] waarmee de gouden drievoet werd opgesteld die vlak bij het altaar op de bronzen, driekoppige slang staat.[3] Een tiende deel legden ze ook apart voor de god in Olympia,[4] waarmee de viereneenhalve meter hoge,[5] bronzen Zeus werd opgericht. Dat deden ze ook voor de god op de Isthmos (hieruit kwam de meer dan drie meter hoge, bronzen Poseidon voort)[6] en verdeelden de rest onder elkaar. Een ieder kreeg waarop het recht had: de bijvrouwen van de Perzen, het goud, het zilver, overige kostbaarheden en lastdieren. Geen enkele bron vermeldt hoeveel de helden bij Plataiai hebben gekregen uit een voor hen bestemde selectie, maar ik denk dat ook zij hun deel kregen. Pausanias kreeg een selectie van telkens tien van alles wat van waarde was: vrouwen, paarden, talenten,[7] kamelen enzovoorts.[8]

Meubilair

[82] De volgende gebeurtenis wordt trouwens steeds verteld. Op z’n vlucht uit Griekenland liet Xerxes zijn eigen meubilair achter voor Mardonios. Bij het zien van Mardonios’ meubilair, dat van goud, zilver en kleurige draperieën was voorzien, liet Pausanias diens bakkers en koks een maaltijd bereiden,[9] zoals ze dat voor Mardonios gewend waren te doen. Toen ze hieraan gehoor gaven en de maaltijd bereidden, zag Pausanias bij die gelegenheid netjes de met goud en zilver opgemaakte aanligbedden, gouden en zilveren bijzettafels en prachtig eetgerei.

Lakonisch maal

Hij werd verrast door het lekkers dat hem werd voorgezet, en liet voor de grap z’n eigen personeel[10] een Lakonisch maal bereiden. Toen het eten klaargemaakt was en het verschil groot bleek, moest Pausanias lachen en riep de Griekse aanvoerders bij zich. Zij kwamen en Pausanias gebaarde naar de twee opgediende maaltijden en zei: “Grieken, dit is waarvoor ik jullie heb bijeengeroepen: ik wil jullie laten kennismaken met de waanzin van de Pers, die met zo’n leefstijl naar ons is gekomen om ons ónze miserabele leefstijl af te pakken.”

Dat waren, naar men vertelt, de woorden die Pausanias tot de legeraanvoerders van de Grieken sprak.

Bijzonder skelet

[83] In de tijd daarna hebben werkelijk talloze inwoners van Plataiai kisten vol goud, zilver en andere kostbaarheden gevonden. Nog later kwam ook het volgende aan het licht, toen de lichamelijke overschotten zonder vlees bloot kwamen te liggen (de Plataiërs hadden één plek, waar ze de botten opstapelden): er werd een schedel aangetroffen zonder naden, maar uit één stuk been. De kaak, de bovenkaak wel te verstaan, bleek tanden te hebben die aaneengegroeid waren: alle bestonden uit één bot, zowel tanden als kiezen. Ook het skelet van een bijna tweeëneenhalve meter lange man dook op.[11]

Lijk van Mardonios

[84] Van het lijk van Mardonios was de volgende dag[12] geen spoor te bekennen. Door wie het is weggehaald, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar ik heb de namen horen verluiden van vele mensen uit alle windstreken die Mardonios hebben begraven. Ik weet dat velen voor die daad rijkelijk zijn beloond door Artontes, Mardonios’ zoon. Wie nu écht het lijk van Mardonios heeft geborgen en begraven, daarover heb ik geen exacte informatie. Het gerucht gaat echter dat Dionysofanes uit Efesos de man is die Mardonios heeft begraven. Zo is het ongeveer gegaan met Mardonios’ begrafenis.

Begrafenis

[85] Na de verdeling van de buit begroeven de Grieken, elke natie voor zich, hun slachtoffers. De Lakedaimoniërs richtten een drievoudig graf in. In één deel daarvan zetten zij de jonge strijders bij, bij wie ook Poseidonios, Amomfaretos, Filokyon en Kallikrates een plaats kregen.[13] In dat ene deel lagen dus de jongeren, in het tweede deel de overige Spartanen, in het derde de heloten.[14]

Cenotaaf

Dat was hun manier om hun doden te begraven, maar de strijders uit Tegea begroeven ze alle bij elkaar op een aparte plek. De Atheners begroeven hun doden ook in één graf, net zoals de Megarenzen en strijders uit Fleious dat deden met de strijders die door de ruiters waren gedood. Die graven zaten vol met al die gesneuvelden. Alle overige graven die bij Plataiai te zien zijn, hebben ze, als ik wel geïnformeerd ben, stuk voor stuk, uit schaamte voor hun afwezigheid van het gevecht, de vorm van een lege grafheuvel gegeven met het oog op het nageslacht. Je hebt daar ook een graf dat ze het graf van de strijders uit Aigina noemen, maar ik begrijp dat dit nog tien jaar na deze gebeurtenissen op verzoek van de Aiginètai is opgeworpen door Kleades, zoon van Autodikos, een man uit Plataiai en een goede relatie van hen.


[1] De heloten waren niet zo dom dat ze het verschil tussen goud en brons niet zagen: ze wilden zo snel mogelijk van de clandestiene waar af.

[2] I.e. Apollo.

[3] Een gedeelte van deze zuilbasis staat tegenwoordig in het hippodroom in Istanbul.

[4] Net als de volgende twee genoemde locaties gaat het om steden waar grote sportwedstrijden werden gehouden; Nemea valt buiten het rijtje. 

[5] Vier meter en 60 centimeter om precies te zijn, want de tekst maakt melding van een afmeting van ‘tien el’, dekapechys (Gr. δεκάπηχυς, bn.); een Griekse el was een lengtemaat van 46 centimeter.

[6] Drie meter en 22 centimeter om precies te zijn, want de tekst maakt melding van een afmeting van ‘zeven el’, pechys (Gr. πῆχυς); een Griekse el was een lengtemaat van 46 centimeter.

[7] Het is niet onwaarschijnlijk dat de Perzen geld (hun munteenheid was het Babylonische talent (Gr. τάλεντον), een brok zilver van 35 kg.) op hun expeditie meenamen; binnen de gegeven opsomming past de munteenheid echter minder goed en repte het manuscript oorspronkelijk misschien van ‘wagens’, harmata (Gr. ἅρματα).

[8] Dertig keer 10% van de buit was bestemd voor de drie genoemde goden en ook Pausanias had een aanzienlijk aandeel in de buit; wellicht was het deel dat de heloten ‘verduisterd’ hadden navenant groot, zodat nog maar ongeveer de helft van de totale buit verdeeld kon worden onder de staten die hadden meegestreden.

[9] Deze waren in de strijd blijkbaar gespaard gebleven; het is trouwens niet onaannemelijk dat vele van hen vrouwen waren.

[10] Het beroep van kok was in Sparta er een van vader op zoon (vgl. boek 6, hfdst. 60).

[11] De tekst maakt melding van een lengte van vijf el, d.w.z. 2.30 m. (vgl. opm. 5 hierboven).  

[12] D.w.z. de dag na het grote gevecht.

[13] De dood van de eerste drie wordt vermeld in hfdst. 71, die van de laatste in hfdst. 72;

[14] De ‘jongeren’ die door de schrijver worden genoemd, waren irenes (Gr. ἰρένες), strijders tussen de 20 en 30 jaar, maar de vier met naam genoemde gevallenen hadden een hoge rang en zullen ouder geweest zijn (dat geldt zeker voor Amomfaretos); het eerste graf zal voor de Spartanen, onder wie ook jongere slachtoffers waren, bedoeld zijn geweest en met de ‘Spartanen’ in de tekst worden de overige Lakedaimoniërs of ‘omwonenden’, perioiken, aangeduid.