[50] De situatie was zo ernstig geworden dat de aanvoerders van de Grieken bij Pausanias op de rechtervleugel kwamen en onder andere juist hierover een vergadering belegden: het leger leed onder een tekort aan water en werd door de ruiterij belaagd. Dat was niet alles, want ze werden door andere zaken nog meer geplaagd. Er was geen bevoorrading meer en hun helpers[1] die naar de Peloponnesos waren gestuurd om voorraden in te slaan was door de ruiters de pas afgesneden. Het legerkamp kon door hen niet worden bereikt.[2]
Eiland
[51] Tijdens hun beraad namen de aanvoerders het besluit om naar het ‘Eiland’ te gaan, wanneer de Perzen die dag oversloegen en geen aanval zouden doen. Dit is het gebied vóór Plataiai,[3] op een afstand van bijna twee kilometer[4] van de Asopos en de bron Gargafia, waar toen hun legerkamp was. Hoe kan er echter op het vasteland een eiland zijn? Dat zit zo: een rivier stroomt vanaf de Kithairon omlaag de vlakte in en vertakt zich tot een afstand van ongeveer 550 meter tussen de twee beddingen. Verderop komen deze bij elkaar en de naam van de rivier luidt Oëroë. De mensen in deze streek zeggen dat zij de dochter is van Asopos.[5]
Verplaatsing ’s nachts
Ze besloten om op te breken en zich naar die plek te verplaatsen om daar onbeperkt over water te kunnen beschikken en niet het doelwit van de ruiters te zijn, zoals nu in een stelling recht tegenover hen. Zij vonden de tweede nachtwake het geschikte tijdstip om te verhuizen.[6] De Perzen konden dan hun bewegingen niet opmerken en hun ruiters zouden hen niet achtervolgen en overrompelen. Het was verder hun bedoeling om na het bereiken van die plek, waar dus Asopos’ dochter Oëroè van de Kithairon stroomt en zich splitst, aan het begin van die nacht de helft van het leger naar de Kithairon te sturen om de helpers op te pikken die voedsel waren gaan halen. Zij waren op de Kithairon van hen afgesneden.[7]
Aftocht
[52] Dat besluit was gevallen en de rest van die dag waren ze alleen maar druk met de charges van de ruiters. Toen de dag z’n einde naderde en de ruiters hun aanvallen hadden gestaakt, pakten de meesten hun biezen en trokken zich terug (de avond was gevallen en het uur had geslagen waarop ze hadden besloten dit te doen), maar niet met de intentie dat te doen naar het afgesproken gebied. Zodra ze zich uit de voeten hadden gemaakt, waren zij maar wat blij dat ze zich in Plataiai in veiligheid konden brengen, weg van de ruiters. Hun aftocht bracht hen bij het Heraion. Dit ligt vóór Plataiai op een afstand van meer dan drieëneenhalve kilometer[8] van de bron Gargafia. Daar aangekomen legden zij hun wapens voor de tempel neer.[9]
Amomfaretos’ weigering
[53] Ze bivakkeerden bij het Heraion en toen Pausanias ze het legerkamp zag ontruimen, gaf hij ook de Lakedaimoniërs het bevel hun wapens op te pakken en zich bij de anderen aan te sluiten die voor hen uitliepen, in de veronderstelling dat deze manschappen naar de afgesproken plek gingen. De overige afdelingshoofden stonden klaar om Pausanias’ bevel op te volgen, alleen Amomfaretos, zoon van Poliades, die commandant was van het onderdeel uit Pitane, zei niet te zullen vluchten voor die ‘gasten’ noch uit eigen wil Sparta te schande maken. Het verbaasde hem wat hij zag gebeuren, maar dat kwam doordat hij het vorige overleg gemist had.[10]
Pausanias en Euryanax stoorden zich aan zijn weigering om hen te gehoorzamen, maar nóg erger vonden ze het om, nu hij daar niets van wilde weten, het onderdeel uit Pitanè achter te laten. Door hem achter te laten en te doen wat zij met de rest van de Grieken hadden afgesproken, was het gevaar aanwezig dat Amomfaretos samen met zijn manschappen, daar aan z’n lot overgelaten, omkwam.
Deze overweging zorgde ervoor dat ze het Spartaanse legeronderdeel voorlopig z’n stelling niet lieten opgeven, maar wel erop aandrongen om dat te doen.
[1] Het is onduidelijk of met hen de heloten worden bedoeld die de Spartaanse krijgers bij zich hadden (vgl. hfdst. 28); in dat geval telde het Griekse leger 35.000 manschappen minder.
[2] De implicatie is dat de Grieken in feit door de Perzen waren ingesloten.
[3] D.w.z. ten noorden van de stad.
[4] Tien stadiën wel te verstaan; een stadion (Gr. στάδιον) is een afstandsmaat van 185 meter.
[5] Deze mythologische verklaring wordt niet bevestigd door de geografische omstandigheden, want nergens is de Oëroë een stroom die uitmondt in de Asopos, sterker nog: zij stroomt westwaarts en mondt uit in de Korinthische Golf, terwijl de Asopos oostwaarts stroomt en in de Zee van Euboia uitmondt.
[6] Van de Grieken is niet bekend of zij meer dan twee nachtwakes hielden (de Romeinen hielden er vier); de troepenverplaatsing zou dus aan het eind van de avond of die in de nacht gehouden kunnen zijn.
[7] Dit is hierboven verteld in hfdst. 50.
[8] Dit heiligdom, gewijd aan de godin Hera, lag op een afstand van twintig stadia (een stadion, Gr. στάδιον, bedraagt 185 meter), d.w.z. 3,7 km.; voor een getraind soldaat is dit nog geen uur lopen.
[9] Dit hield een moment van rust in en wijst niet op een vlucht in blinde paniek; het was bovendien een praktische maatregel, zodat de wapens (vooral schilden en lansen) niemand in de weg lagen.
[10] Bedoeld wordt het overleg dat beschreven is hierboven in hfdst. 50.