[130] Dat waren de verrichtingen van de begeleiders van de Perzische koning. Toen het restant van Xerxes’ vloot op zijn vlucht van Salamis Klein-Azië was genaderd en Xerxes met zijn leger vanuit Chersonesos naar Abydos had overgezet, bracht het de winter door in Kyme. Toen de lente was aangebroken, kwam het aan het begin daarvan bijeen bij Samos. Daar hadden ook enkele schepen overwinterd. De meesten die als marinier dienstdeden,[1] waren Perzen en Meden en de legeraanvoerders die zich bij hen voegden, waren Mardontes, zoon van Bagaios, en Artaÿntes, zoon van Artachaiës. Zij deelden het commando met Ithamitres, een neef van Artaÿntes,[2] die hem speciaal had uitgekozen.
Perzen wachten af
De nederlaag die zij hadden geleden, was zwaar en daarom gingen zij in westelijke richting niet verder de zee op. Er was ook niemand die hen daartoe dwong, maar zij lagen voor anker bij Samos en zagen erop toe dat er geen opstand in Ionia kwam. Die van de Ioniërs meegerekend hadden zij driehonderd schepen. Ze gingen er beslist niet vanuit dat de Grieken naar Ionië zouden komen, maar zich zouden beperken tot de controle van hun eigen gebied. Dit maakten zij op uit het feit dat ze hen niet hadden achtervolgd, toen zij van Salamis wegvluchtten, maar het wel best vonden en zich terugtrokken. Ze waren op zee door hun strijdlust verslagen. Mardonios zou, zo was hun verwachting, met het landleger vele malen sterker zijn. Nu ze bij Samos waren, bedachten ze aan de ene kant hoe zij optimaal de vijanden kwaad konden doen, aan de andere kant wilden zij de berichten afwachten over de verrichtingen van Mardonios.
Griekse vloot bij Aegina
[131] Het aanbreken van de lente en de aanwezigheid van Mardonios brachten de Grieken weer tot activiteit. Tot een landleger kwam het nog niet, maar de vloot verzamelde zich bij Aigina, in totaal 110 schepen. Legeraanvoerder én vlootcommandant was Leutychides, zoon van Menares, zoon van Hegesilaos, zoon van Hippokratides, zoon van Leutychides, zoon van Anaxilaos, zoon van Archidamos, zoon van Anaxandrides, zoon van Theopompos, zoon van Nikandros, zoon van Charilaos, zoon van Eunomos, zoon van Polydektes, zoon van Prytanis, zoon van Euryfon, zoon van Prokles, zoon van Aristodemos, zoon van Aristomachos, zoon van Kleodaios, zoon van Hyllos, zoon van Herakles: een afstammeling dus van het andere koningshuis.[3] Afgezien van de zeven die direct na Leutychides zijn genoemd,[4] zijn alle anderen koning van Sparta geweest. De Atheners werden aangevoerd door Xanthippos, zoon van Arifron.[5]
Gezanten uit Ionia
[132] Nadat alle schepen Aigina hadden bereikt, kwamen gezanten van de Ioniërs naar het legerkamp van de Grieken. Zij waren niet lang daarvoor naar Sparta gekomen met het verzoek aan de Lakedaimoniërs om Ionia te bevrijden. Onder hen was ook Herodotos, zoon van Basileides. Ze hadden elkaar gevonden in een complot tegen Strattis, tiran van Chios, en hadden plannen hem te vermoorden. Oorspronkelijk waren zij met hun zevenen. Toen zij hierbij tegen de lamp liepen, omdat een van de deelnemers over de aanslag had geklikt, waren de zes die overgebleven waren, heimelijk van Chios weggegaan en in Sparta gekomen en daarna ook op Aigina. Ze verzochten de Grieken om naar Ionia op te varen, maar konden hen niet ertoe verleiden verder dan Delos te gaan. Wat daarachter lag, was de Grieken te gevaarlijk, want ze waren niet bekend met de regio en veronderstelden dat het er vergeven was van Perzische legereenheden. Ze meenden te weten dat Samos even ver van hen aflag als de Zuilen van Herakles.[6]
Het een viel zo met het andere samen: de Perzen durfden uit angst niet verder dan Samos westwaarts te varen, de Grieken niet oostwaarts voorbij Delos, hoezeer de Chiërs erom vroegen. Zo zorgde angst ervoor dat zij afstand van elkaar hielden.
[1] Het gaat hier om gevechtseenheden, niet om de bemanning van de schepen c.q. roeiers.
[2] Naar alle waarschijnlijkheid de zoon van Otaspes (genoemd in boek 7, hfdst. 63).
[3] De andere tak van het Spartaanse koningshuis, die van Leonidas en eveneens twintig generaties tellend, is in boek 7, hdfst. 204 genoemd.
[4] D.w.z. Menares tot en met Anaxandrides.
[5] Reeds in boek 7, hfdst. 33 wordt hij genoemd, ook dan met patronymicum, naamsverwijzing naar zijn vader.
[6] Deze Herakleai Stelai (Gr. Ἡρακλέαι Στῆλαι) is de algemene benaming voor de Straat van Gibraltar; de afstand naar Samos wordt hier schromelijk overdreven.