Een schrijver die historische feiten voor zichzelf wil laten spreken, zo kennen we Herodotos. Het lijkt lastig genoeg om in een werk dat negen boeken en 1534 hoofdstukken telt, als samensteller ervan niet je eigen gezicht te tonen.
Er zijn diverse momenten in de Historiai waarop de schrijver zich rechtstreeks tot de lezer c.q. toehoorder richt, zijn inzichten geeft en een eigen mening formuleert. Het gebeurt niet overdreven vaak, maar toch… Het is fascinerend om bij wijze van spreken zijn stem na 2½ millennium te kunnen ‘horen’.
Vandaar deze lijst met 85 instanties (met verwijzingen naar boek en hoofdstuk) die laten zien dat Herodotos er niet aan kan ontkomen hier en daar speculatief te zijn en zich door subjectieve motieven te laten leiden. Ontbreekt een item? Laat het weten via het contactformulier.
| tekstplaats | omschrijving |
|---|---|
| Prooimion | “Dit is de publicatie van een onderzoek van Herodotos van Halikarnassos.” |
| 1.5 | H. bespreekt steden en hun bevolking ongeacht hun grootte. “Omdat ik mij ervan bewust ben dat het geluk van een mens niet blijvend is, zal ik geen onderscheid maken bij de bespreking van beide.” |
| 1.57 | H. concludeert dat het Pelasgisch, gezien de enkele stammen die die taal nog spreken, ouder was dan het Attisch. De Atheners moeten in een later tijdperk een andere taal hebben leren spreken. |
| 1.60 | Peisistratos weet voor een tweede keer de macht over Athene in handen te krijgen. Het plan dat daarvor bedacht wordt is verreweg het kinderachtigste dat H. kent. |
| 1.75 | Waar de meeste Grieken het verhaal vertellen over het verleggen van de bedding van de Halys (een idee van Thales van Milete), zodat Kroisos Perzisch gebied kan binnentrekken zonder de Halys te hoeven oversteken, houdt H. het erop dat “hij zijn leger vandaar over bestaande bruggen liet oversteken”. |
| 1.196 | De wijze van uithuwelijken vindt H. het meest ingenieuze dat de Babyloniërs hebben ingevoerd. |
| 2.2 | Het Psammetichos-experiment is door hem opgetekend uit de mond van de priesters van Hefaistos (Ptah) in Memfis. |
| 2.3 | H. is naar Thebe en Heliopolis gegaan om de priesters te bevragen naar overeenkomsten of juist verschillen in berichtgeving door de priesters in Memfis. |
| 2.4 | Volgens H. hebben de Egyptenaren hun jaarkalender intelligenter ingedeeld dan de Grieken. |
| 2.10 | H. denkt dat het deel van Egypte ten zuiden van Heliopolis pas later aan het Egyptische rijk is toegevoegd. Hij voelt zich gesterkt door de informatie die hij van priesters heeft gekregen. |
| 2.17 | Op het tempelterrein van het heiligdom van Athena (= Neith) in Saïs is een meer aangelegd dat de vorm heeft van een volmaakte cirkel en volgens H. net zo groot is als het ‘Ronde Meer’ op Delos. |
| 2.23 e.v. | H. verklaart de wisselende waterstanden van de Nijl aan de invloed van de zon die in de winter een andere baan aan de hemel volgt dan in de zomer. |
| 2.29 | H. is helemaal naar Elefantine in het zuiden van Egypte afgereisd om informatie te verkrijgen over de bronnen van de Nijl. |
| 2.43-44 ? | De Grieken hebben de godennamen van de Egyptenaren overgenomen en niet andersom. |
| 2.45 ? | Egyptenaren brengen geen mensenoffers. |
| 2.52 | H. is in Dodona geweest om zich te laten informeren hoe de Pelasgen de eersten waren die offers aan de goden brachten. |
| 2.53 | Hesiodos en Homeros leefden 400 jaar eerder dan H. |
| 2.56 | H. heeft zijn eigen versie over het ontstaan van het orakel van Dodona: een door Foeniciërs uit Egypte ontvoerde vrouw is aan Thesproten verkocht en heeft nog als slavin aan de voet van een kolossale eik een tempel voor Zeus opgericht. Zij wil hiermee de herinnering aan de tempel van Zeus in het Egyptische Thebe, waar zij werkzaam was, levendig houden. |
| 2.77 | Egyptenaren zijn, op de Libiërs na, de allergezondste mensen en dat komt volgens H., doordat de seizoenen geen variaties kennen. |
| 2.98 | H. geeft een etymologische verklaring van de naam van de stad Archandros. |
| 2.99 | “Tot nu toe is mijn verslag gebaseerd op eigen waarneming, inzicht en onderzoek. Vanaf dit punt ga ik over de geschiedenis van Egypte vertellen, zoals die mij ter ore is gekomen, met een enkele aanvulling uit eigen bevinding.” |
| 2.104 | Eigen conclusie: Kolchiërs zijn in oorsprong Egyptenaren. |
| 2.106 | H. ziet met eigen ogen in Syrisch Palestina de zuilen die farao Sesostris liet oprichten in de gebieden die hij heeft veroverd en voorzien van zijn naam en de geslachtsdelen van een vrouw om hun lafheid onder de aandacht te brengen. |
| 2.109 | Bij overstromingen van de Nijl kunnen Egyptenaren een beroep doen op de farao, die dan inspecteurs erop uitstuurde om de vernaderde kavels op te meten. Dat is volgens H. de oorsprong van de meetkunde. |
| 2.120 | H. neemt stelling over de (on)waarschijnlijkheid van de Trojaanse oorlog (Helena is nooit in Troje geweest). |
| 2.123 | Uitgangspunt als onderzoeker: “In mijn gehele werk is het mijn uitgangspunt de dingen die eenieder vertelt, op te tekenen, zoals ik ze heb gehoord.” |
| 2.124 | De aanleg van de weg waarover de stenen worden aangesleept voor de bouw van de piramide van Cheops duurt tien jaar, wat volgens H. even lang is als de bouw van de piramide zelf. |
| 2.131 | H. uit kritiek op de uitleg van “afgehakte armen” van beelden van concubines van farao Mykerinos (“volgens mij onzinnig”). |
| 2.137 | Volgens H. is de stad Boubastis onder Ethiopisch usurpator Sabakos het meest ‘opgehoogd’. |
| 2.143 | Waar voorganger Hekataios een reden (onderzoek naar zijn voorouders) nodig had om de tempel van Luxor te mogen bezichtigen, had H. onvoorwaardelijk toegang (“Ik deed géén onderzoek naar mijn afkomst”). |
| 2.147 | H. stapt over op andere bronnen dan de Egyptenaren. |
| 2.148 | Ooggetuigenverslag van zijn bezoek aan het labyrint ten zuiden van het meer van Moiris. (Tussen neus en lippen door laat hij weten de grote tempels in Efese en op Samos te kennen.) |
| 2.175-176 | Beschrijving van monumentale bouwwerken die H. met eigen ogen heeft gezien, in Saïs opgericht door farao Amasis. |
| 3.2 | De Egyptenaren slaan de plank mis door te denken dat Kambyses een onecht kind is van de dochter van Apriës. “Wat zij beweren, is niet juist. Het kan hen echt niet ontgaan zijn (als er al mensen zijn die bekend zijn met de Perzische gebruiken, dan zijn dat de Egyptenaren wel) dat op de eerste plaats het bij de Perzen niet gebruikelijk is dat een onecht kind koning wordt, wanneer er een wettige zoon is, en bovendien dat Kambyses zoon was van Kassandane, dochter van Farnaspes uit het huis van de Achaimeniden, en niet van een Egyptische. Ze verdraaien het verhaal, omdat zij zich graag voordoen als verwanten van de familie van Kyros. Zo zit het echt.” |
| 3.3 | Het verhaal dat een Perzische vrouw Kassandane, echtgenote van Kyros, ontmoet en lovend is over haar knappe kinderen, maar van haar te horen krijgt dat Kyros haar negeert, waarop de nog jonge Kambyses belooft Egypte te zullen onderwerpen, wanneer hij volwassen is geworden, klinkt H. ongeloofwaardig in de oren. |
| 3.12 | H. hoort van de plaatselijke bevolking dat de schedels van Egyptenaren harder zijn dan die van Perzen, omdat zij van jongs af aan hun hoofd kaalscheren. Deze oorzaak gelooft H. graag. |
| 3.13 | Kyreneërs sturen Kambyses na zijn onderwerping van Egypte hun bijdrage aan geschenken, waarmee hij niet echt blij was, “volgens mij omdat die gering was”. |
| 3.38 | Het is H. volkomen duidelijk dat Kambyses volslagen gek is, “anders had hij zich niet op heilige zaken en gebruiken geworpen om die te bespotten”. |
| 3.55 | H. is lovend over de Spartanen Archias en Lykopas die een heldendood op Samos stierven. Hij heeft hun verhaal nog eens nagetrokken in Pitane, een dorp vlakbij Sparta, waar hij een kleinzoon van Archias heeft gesproken. |
| 3.55 | Polykrates koopt de Lakedaimoniërs om met munten van lood met een laagje goud eromheen om hen te laten afzien van de belegering van Samos, “een tamelijk onzinnig verhaal”. |
| 3.80 | Tijdens het zgn. ‘staatsdebat’, waarbij Otanes, Megabyxos en Dareios hun gedachten over de meest geschikte staatsvorm laten gaan, hielden zij speeches, “waarvan het bestaan door sommige Grieken in twijfel wordt getrokken, maar ze werden hoe dan ook gehouden”. |
| 3.146 | Maiandrios neemt het voorstel van zijn broer Charileos aan om hem soldaten te geven om de Perzen van Samos te verdrijven. “Maiandrios accepteerde het voorstel, volgens mij niet omdat hij zó onverstandig was geworden om te denken dat zijn eigen leger dat van de Perzische koning zou overtreffen, maar eerder omdat hij het Syloson niet gunde de stad zonder slag of stoot en intact in handen te krijgen.” |
| 4.32 | Over de Hyperboreërs valt niets te melden. Volgens H. zouden we alleen iets over hen weten, als de Skythen van hen melding hadden gemaakt. |
| 4.32 | H. twijfelt aan het auteurschap van Homeros van de ‘Epigonoi’ (nakomelingen van de ‘Zeven tegen Thebe’). |
| 4.42 | H. verbaast zich erover dat bronnen gedetailleerde meldingen kunnen doen over de omvang van Libya, Klein-Azië en Europa. Zeker over de breedte van die gebieden kan niets zinnigs worden gezegd. |
| 4.50 | De rivier Istros is ’s zomers en ’s winters even omvangrijk en dat komt volgens H., doordat in de winter het slechts een beetje regent. |
| 4.96 | H. betwijfelt of Salmoxis, door de Geten om zijn vermeende onsterfelijkheid als god vereerd, en Pythagoras tijdgenoten van elkaar waren. |
| 4.155 | Battos, zoon van Polymnestos en een concubine, heeft die naam niet gekregen, omdat hij ‘stotterde en lispelde’, maar omdat het orakel van Delfi hem aansprak met ‘battos’, het Libische woord voor ‘koning’. |
| 4.167 | Aryandes, gouverneur van Egypte onder Kambyses, stuurt zijn leger niet om Feretime te steunen in haar poging Barke te heroveren, maar volgens H. om heel Libya te onderwerpen. |
| 4.189 | Het gekrijs van vrouwen bij rituelen om het beeld van Athena met de aigis is door Libische vrouwen, die die typische kledij hebben bedacht en zelf gedragen, geïntroduceerd. |
| 5.3 | H. over de kracht van de Thrakiërs: “Als het door één man werd geregeerd of eensgezind was, zou het onverslaanbaar en volgens mij verreweg het allermachtigste volk zijn.” |
| 5.54 | Volgens Aristagoras’ berekening neemt de weg landinwaarts naar de Perzische koning (d.w.z. het paleis in Susa) drie maanden in beslag. H. merkt op dat je de tocht van Efese (aan de kust van de Ionische Zee) naar Sardes erbij moet optellen. |
| 5.57 | De familie van de Gefyreërs (die van de ‘tirannendoders’ Harmodios en Aristogeiton) bestaat – “volgens mijn informatie en bevindingen” – oorspronkelijk uit Foeniciërs die via Eretria in Boiotia zijn terechtgekomen. |
| 5.58 | Volgens H. leren de Grieken het alfabet kennen na invoering daarvan door Foeniciërs die samen met Kadmos in Boiotia terechtgekomen zijn. Het zijn de Ioniërs van het Griekse vasteland die het overnemen en het ‘Foenicisch’ noemen. |
| 5.67 | Kleisthenes van Athene maakt, volgens H. in navolging van zijn oom Kleisthenes, tiran van Sikyon, een einde aan de rapsodenwedstrijden, omdat de epische gezangen over Argos en haar inwoners gaan (en niet over Athene en Atheners). |
| 5.118 | De Kariërs maken zich op een verdedigingslinie op te werpen tegen de Perzische troepen o.l.v. Daurises die vernomen heeft dat de Kariërs zich bij de Ionische opstand hebben aangesloten en nu vanuit de Hellespont optrekt. H. zelf vindt het plan van Pixodaros in dezen het beste. |
| 6.3 | H. denkt dat Histiaios nog geleefd zou hebben, als hij na zijn gevangenneming door Artafrenes en Harpagos, direct naar Dareios in Sousa zou zijn gestuurd, waar hem genade en een goede positie zouden wachten. Precies om dit te voorkomen, hebben zij hem aan een paal geregen. |
| 6.84 | Niet zijn drankzucht leidde tot Kleomenes’ ondergang, maar de verdrijving van Demaratos op onheuse gronden. (De schrijver geeft verder geen onderbouwing.) |
| 6.95 | H. denkt dat de belangrijkste reden voor Datis om linea recta vanuit Ionia de Egeïsche Zee over te steken naar het vasteland van Griekenland de schipbreuk die de Perzische vloot bij Athos leed “in het jaar daarvoor” (een vergissing van de schrijver, want de schipbreuk vond twee jaar eerder plaats). |
| 6.123 | Naar het oordeel van H. zijn de Alkmeoniden altijd tegen de tirannie geweest. Niet Harmodios en Aristogeiton hebben de alleenheersers in Athene tegengehouden, maar de Alkmeoniden hebben op listige wijze ervoor gezorgd dat de Peisistratiden hun alleenheerschappij opgaven. |
| 7.3 | Dareios wijst Xerxes, omdat hij hem als zoon heeft gekregen, nadat hij aan de macht kwam, als troonsopvolger aan (een suggestie van Demaratos, de uit Sparta verdreven koning). “Ik denk dat ook zonder die argumentatie Xerxes aan de macht was gekomen: het was Atossa die alle macht naar zich toetrok.” |
| 7.24 | H. vindt dat Xerxes door megalomanie wordt gedreven, wanneer hij een kanaal laat graven door de landtong van Athos. “Hij was uit op machtsvertoon en wilde iets gedenkwaardigs achterlaten.” |
| 7.133 | Dareios had in een vroeg stadium herauten naar Athene gestuurd die door de Atheners ruw werden behandeld. H. weet niet wat het motief hiervoor was. “Misschien is dat wel de verwoesting van hun land en stad geweest, maar ik denk niet dat dit dáárdoor kwam.” |
| 7.137 | De zgn. ‘toorn van Talthybios’ wordt niet beëindigd door de uitlevering van twee gezanten aan het Perzische hof (Xerxes spaart hun leven), maar door de terechtstelling in Athene van hun zonen jaren later. Zij waren als gezanten erop uitgestuurd om in Klein-Azië steun te winnen voor Sparta in hun coflict met Athene. |
| 7.139 | Een duidelijk (en in zijn werk meest uitgebreide) statement van de schrijver: het is enkel en alleen aan de Atheners en hun standvastigheid te danken dat uiteindelijk de Perzen zijn verslagen. “Wie nu beweert dat de Atheners de redders van Griekenland waren, heeft zeker een punt. Welke keuze zij ook hadden gemaakt, het zou de doorslag geven.” H. vindt dat deze afloop duidelijk de interventie van een god laat zien. |
| 7.168 | De Kerkyreërs rusten 60 schepen uit, maar wachten de uitkomst van het zeegevecht (bij Salamis) af. H. denkt dat zij met een vreedzame boodschap gericht tot Xerxes meer uit de situatie (dan anderen) denken te kunnen halen. “Volgens mij had dat ook zomaar kunnen gebeuren.” |
| 7.173 | Niet zozeer het advies van Alexandros van Makedonia doet de Grieken (met een legermacht van 10.000 soldaten) besluiten zich uit Thessalia terug te trekken voor het Perzische leger, maar volgens H. angst, omdat Xerxes over een alternatieve route beschikt. |
| 7.185 | H. geeft een schatting van het totaal aantal strijders (waaronder volgens hem 300.000 infanteristen uit Griekse volksstammen die zich bij de Perzen aansluiten), waarmee Xerxes optrekt. |
| 7.186 | Onderdelen die het leger ondersteunen “zullen volgens mij niet minder, maar méér zijn geweest dan het strijdend volk”. |
| 7.229 | H. denkt dat de Spartanen Aristodemos, laatst overgebleven soldaat uit de strijdmacht van Leonidas bij Thermopylai en ernstig gewond, niets zouden verwijten, wanneer hij levend terugkeerde, maar nu hij ervoor koos in leven te blijven, terwijl zijn even ernstig gewonde strijdmakker zich doodvocht, wachtte hem de woede van de Spartanen. |
| 8.22 | Themistokles roept met teksten op de stenen bij de bronnen op Euboia de Ioniërs in het leger van Xerxes op om over te lopen of op z’n minst slecht te presteren. H. denkt te weten dat Themistokles met twee dingen rekening houdt: de Ioniërs lopen over óf zij worden niet ingezet na ontdekking van de teksten door de Perzen. |
| 8.30 | H. denkt dat de Fokenzers, die grote vijanden van de Thessaliërs zijn, niet voor de Perzen kiezen, omdat de Thessaliërs dat al doen. Het had ook andersom kunnen zijn. |
| 8.63 | Door toedoen van Themistokles verandert Eurybiades van gedachte en blijft met zijn schepen bij Salamis in afwachting van de zeeslag tegen de Perzen. H. denkt dat hij vooral bang is dat de Atheners het zouden opgeven, waardoor de strijd bij voorbaat verloren zou zijn. |
| 8.66 | De Perzische troepenaantallen zijn volgens H. niet minder geworden, wanneer zij Athene binnenvallen, ten opzichte van de aantallen een tijd eerder bij Sepias en Thermopylai. (Onderweg sluiten immers meer landen zich aan bij de Perzen.) |
| 8.77 | H. twijfelt niet aan de correctheid van orakelspreuken. “Van orakels kan ik niets anders beweren dan dat zij waar zijn. Als zij duidelijke taal spreken, wie ben ik, geconfronteerd met de volgende feiten, om ze te verachten? (…) Afgaande op zulke woorden en zo’n duidelijke boodschap van Bakis durf ikzelf niet orakelspreuken tegen te spreken noch accepteer ik tegenspraak van anderen.” |
| 8.103 | H. denkt dat niemand anders dan Artemisia, vorstin van Halikarnassos, Xerxes ertoe heeft kunnen overtuigen om niet op te geven. |
| 8.112 | Het staat vast dat de Karystiërs en Pariërs door Themistokles worden afgeperst en hem geld geven om niet door de Atheners belegerd te worden, zoals dat is gebeurd met Andros. H. vermoedt dat ook andere eilandbewoners geld geven. |
| 8.119 | Het verhaal dat (een deel van) de Perzische bemanning van het schip waarop Xerxes terugvoer, vanwege noodweer op zee van boord sprong om het te behoeden voor de ondergang (zie 8.118), wordt door H. niet geloofd. Hij houdt vast aan de versie dat Xerxes over land naar Klein-Azië terugreisde. |
| 8.129 | Perzen worden tijdens hun overtocht langs een doorwaadbare plek in zee naar Pallene verrast door plotseling hoog water. Uitgerekend die Perzen die geen eerbied toonden voor de tempel en het beeld van Poseidon in een buitenwijk van Poteidaia, vinden de verdrinkingsdood. H. denkt dat zij die op dit verband wijzen gelijk hebben. |
| 8.133 | Mardonios laat een zekere Mys, een man uit Europos, diverse orakels raadplegen. H. zegt niet precies te weten wat hiervan de bedoeling is. “Volgens mij stuurde hij de man op pad om wijzer te worden van de bestaande situatie en niets anders.” |
| 9.43 | H. denkt te weten dat de (onbekende) orakelspreuken waarom Mardonios aan de vooravond van de slag bij Plataiai vroeg, níet op de Perzen slaat, maar op andere volksstammen. Daarentegen slaan de voorspellingen van Bakis en Mousaios wél op het einde van de perzische legermacht. |
| 9.65 | H. vindt het vreemd dat niet één Pers tijdens de slag bij Plataiai is gesneuveld in (de buurt van) het heiligdom van Demeter. Hij neemt aan dat de godin hen heeft weerhouden als reactie op de verwoesting van haar tempel in Eleusis. |
| 9.71 | Tijdens de slag bij Plataiai blinken vooral de Lakedaimoniërs uit in dapperheid. Verreweg de dapperste onder hen is volgens H. Aristodemos. (Hij is dezelfde die kritiek kreeg om zijn vermeende lafheid bij Thermopylai – zie 7.229.) |
| 9.81 | H. denkt dat ook de ‘helden’ van Plataiai een deel van de oorlogsbuit uitgekeerd krijgen. (Het grootste deel daarvan zijn wijgeschenken voor diverse goden.) |
| 9.113 | Volgens H. zou Masistes met succes een opstand tegen de Perzen hebben georganiseerd vanuit Baktria, als niet Xerxes hem vóór was door een leger op hem af te sturen. |