(2 van 3 pagina’s)
Onderwerpen op andere pagina’s: Xerxes benieuwd naar de Grieken – Xerxes sportief
[102] Dit hoorde Demaratos goed en hij gaf het volgende antwoord: “Koning, u vraagt mij uitdrukkelijk de waarheid te spreken en wel zó, dat u achteraf niet zult constateren: hé, die man liegt. Armoede? De Grieken zijn er altijd al mee opgegroeid geweest. Moed? Die is er later bijgekomen, verworven door inzicht en solide wetten. De Grieken gebruiken deze om armoede en onderdrukking te bestrijden.
Dapperheid van de Lakedaimoniërs
“Ik ben enthousiast over alle Grieken die in het Dorische gebied leven, maar wat ik hierna ga zeggen, slaat alleen op de Lakedaimoniërs. Ten eerste zullen zij nooit en te nimmer voorstellen van uw kant accepteren die Griekenland de slavernij bezorgen.[5] Verder zullen zij het gevecht met u niet uit de weg gaan, ook al scharen alle andere Grieken zich achter u.
“Wat aantal betreft, vraag niet met hoeveel zij in staat zijn dat te doen. Wanneer het er duizend zijn met wie zij uitrukken, zullen zij met dat aantal u bevechten, maar ook met minder of meer.”
Grootspraak?
[103] Xerxes moest lachen toen hij dat hoorde, en zei: “Demaratos, wat zeg je me nu? Duizend mannen zullen het tegen zo’n groot leger opnemen? Kijk ‘ns, jij zegt zelf koning van die mannen te zijn geweest. Ben jij bereid nu meteen het tegen tien op te nemen?[6] Trouwens, als jullie over zulke burgers beschikken zoals door jou geschetst wordt, moet jij als hun koning volgens jullie eigen regels je opstellen tegen het dubbele aantal.[7] Als eenieder van hen opgewassen is tegen tien mannen uit mijn leger, vind ik natuurlijk dat jij het moet opnemen tegen twintig. In dat geval zou uw bewering kunnen kloppen. Maar als zij zó opscheppen dat zij even voortreffelijk en sterk zijn als jij en alle andere Grieken die ik heb ontmoet, wil ik voor je hopen dat hun woorden niet enkel grootspraak zijn.
Wij zijn in de meerderheid
“Kijk, laat ik het logisch bekijken. Hoe kunnen duizend, tienduizend of zelfs vijftigduizend mannen, die allen even vrij zijn en niet door één persoon worden geleid, tegenstand bieden aan zo’n groot leger? Tegen elk één van hen staan wij met meer dan duizend, op een totaal van vijfduizend van hun kant.[8] Op onze wijze door één persoon geleid kunnen zij, omdat zij hem vrezen, zelfs meer uit zichzelf halen en beter worden. Zelfs als zij in de minderheid zijn, zullen zij, gedwongen door de zweep, tegen een meerderheid uitrukken. Als zij echter losgelaten worden om vrij te zijn, zal er van beide dingen niets terechtkomen. Tegen de Perzen alleen wordt de strijd niet gemakkelijk, als je het mij vraagt, zelfs wanneer de aantallen in evenwicht zijn. Waar jij op wijst, vind je echter alleen bij ons, niet vaak, slechts incidenteel. Onder mijn lansdragers, Perzen, zijn er die graag het tegen drie Grieken tegelijk willen opnemen. Dat weet jij niet en daarom klets je maar wat.”
De waarheid
[104] Hierop zei Demaratos: “Geachte koning, van begin af aan wist ik dat, omdat ik geen leugens vertel, mijn woorden u niet welgevallig zouden zijn. Maar u dwong mij de volstrekte waarheid te spreken en mijn woorden golden de Spartanen. U weet trouwens zelf heel goed hoeveel ik onder de huidige omstandigheden ‘van hen houd’,[9] de mensen die mij hebben beroofd van mijn van m’n vader geërfde positie en privileges en mij tot balling zonder stad hebben gemaakt. Úw vader heeft mij opgevangen. Hij voorzag in mijn levensonderhoud en gaf mij onderdak. Het is niet logisch voor een verstandig man om de affectie die hij op zijn weg vindt, af te wijzen; hij zal die juist koesteren.
Alles voor de vrijheid
“Ik beweer niet dat ik in staat ben het tegen tien man op te nemen, ook tegen twee niet. Tegen één het gevecht aangaan? Nee, liever niet. Maar als het niet anders kan en er veel op het spel staat, zal ik niets liever dan vechten tegen een van die mannen die zegt het in z’n eentje te kunnen opnemen tegen drie Grieken. Zo is het ook met Lakedaimoniërs: in een gevecht één op één doen zij voor niemand onder, gezamenlijk zijn zij de allerbesten. Hun vrijheid betekent niet dat zij helemaal vrij zijn: boven hen staat de wet die hun heerser is en die door hen nog veel meer wordt gerespecteerd dan u door uw onderdanen.[10] Zij doen tenminste waartoe de wet hen aanzet,[11] want deze staat niet toe voor welke menigte mensen ook uit het gevecht weg te lopen, maar gebiedt in het gelid te blijven, want het is winnen of sterven.[12]
“Als u vindt dat ik met deze woorden maar wat sta te kletsen, OK, dan houd ik voortaan graag mijn mond. Nu heb ik gesproken op uw uitdrukkelijk verzoek. Het is aan u, koning, hoe het verder moet.”
[5] Het belang van de Lakedaimoniërs (i.e. Spartanen) gaat verder dan alleen het eigen grondgebied; zij komen op voor heel Griekenland.
[6] Dit getal is gemakshalve genomen, want het Perzische leger telde meer dan 10.000 man.
[7] Die regels (‘koningen van Sparta hebben recht op het dubbele’) zijn beschreven in boek 6, hfdst. 57; nergens vertelt de schrijver hoe de Perzische koning aan deze informatie gekomen is.
[8] Met dit aantal vochten de Lakedaimoniërs in de slag bij Plataiai (zie boek 9, hfdst. 28).
[9] De ironie blijkt uit de hierop volgende woorden; Demaratos’ afzetting is beschreven in boek 6, hfdst. 61 e.v. (zie ook hfdst. 3, opm. 7).
[10] De wet is een heerser, despotes (Gr. δεσπότης), over de Spartanen, zoals Xerxes dat is over zijn onderdanen.
[11] Dit in tegenstelling tot de Perzische soldaten die slechts “gedwongen door de zweep” vooruit zijn te bewegen.
[12] Dit is in overeenstemming met de Spartaanse moraal om met of op het schild uit de strijd terug te keren.