(pagina 2 van 7)
Hoofdstukken op de andere pagina’s: 108-109, 112-113, 114-115, 116-118, 119, 120-122.
Een koeherder moet de klus klaren
[110] Zo sprak hij en meteen stuurde hij een bode naar een van Astyages’ koeherders, die – dat wist hij – z’n vee op de meest geschikte[1] weiden en bergen vol wilde dieren liet grazen en Mitradates heette. Hij was getrouwd met een medeslavin van hem[2] en z’n vrouw met wie hij samenleefde, heette in het Grieks Kyno, in het Medisch Spako. Dat is bij de Meden het woord voor ‘hond’.[3] De weiden waar die koeherder z’n koeien hield, lagen aan de voet van de bergen ten noorden van Agbatana en strekken zich uit in de richting van de Pontos Euxeinos. Het land van de Meden is aan de kant van de Saspeiren erg bergachtig, hoog en zeer bosrijk; de rest van Media is een en al vlakte.[4]
Toen de koeherder, die met grote haast geroepen werd, was gekomen, zei Harpagos het volgende: “Astyages beveelt je dit kindje mee te nemen en het op de meest verlaten plek in de bergen te leggen, opdat het zo snel mogelijk omkomt. Ook laat hij mij dit tegen jou zeggen: als je het niet doodt, maar op een of andere wijze spaart, zul jij op de meest verschrikkelijke manier met de dood worden bestraft. Mij is opgedragen erop toe te zien dat we het kwijtraken.”
Nog een kindje…
[111] Na het horen van die woorden pakte de koeherder het kindje op, keerde langs dezelfde weg als waarlangs hij was gekomen, terug en kwam thuis op z’n boerderij. Dit viel net samen met de tijd dat zijn vrouw iedere dag op het punt stond van bevallen en door een of andere goddelijke voorzienigheid bracht zij een kind ter wereld, juist toen de koeherder naar de stad was gegaan. Beiden maakten zij zich om elkaar zorgen: hij zat in spanning om de bevalling van zijn vrouw, zij maakte zich ongerust omdat Harpagos haar man bij zich had geroepen, iets wat hij normaal gesproken niet deed.
De koeherder legt uit
Toen hij was thuisgekomen en voor haar stond, was de vrouw, verrast als zij was om hem te zien, hem voor en vroeg wat de reden was waarom Harpagos hem zo dringend wilde spreken. Hij zei: “Vrouw, in de stad gekomen, heb ik gezien én gehoord wat ik niet had moeten zien en wat onze meesters niet had moeten overkomen. Het huis van Harpagos was volledig ondergedompeld in rouw. Ontdaan liep ik naar binnen. Zodra ik naar binnen was gestapt, zag ik een baby op de grond liggen spartelen en schreeuwen, met goud behangen en gracieus gekleed. Toen Harpagos mij zag, liet hij mij het kindje meteen oppakken en meenemen om het ergens in de bergen neer te leggen waar het wemelt van de wilde dieren. Hij zei erbij dat Astyages de opdrachtgever was, en dreigde met van alles en nog wat, als ik die dingen niet deed. Ik pakte het kindje op en nam het mee in de veronderstelling dat het van een van de bediendes was. Ik had nooit kunnen vermoeden van wie het werkelijk was. Ik verbaasde me wel, toen ik zag hoe het met goud was behangen en prachtige kleren droeg, en nog meer over de rouw die openlijk werd beleden in het huis van Harpagos. Op straat hoorde ik al gauw het hele verhaal van een dienaar, die mij vergezelde, toen ik de stad uitliep, en de baby in m’n armen stopte: het zou de zoon zijn van Mandane, dochter van Astyages, en Kambyses, zoon van Kyros, en de opdracht om het te doden kwam van Astyages. Dit is hem nu.”
[1] Geschikt om het moordplan uit te voeren.
[2] Mitradates was dus als koeherder een slaaf van koning Astyages.
[3] Preciezer gezegd: kyon (Gr. κύων).
[4] Deze onjuistheid maakt aannemelijk dat de schrijver het land zelf noit heeft bezocht.