Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

De jeugd van Kyros de Grote

(pagina 4 van 7)

Hoofdstukken op de andere pagina’s: 108-109, 110-111, 112-113, 116-118, 119, 120-122.

Koninkje spelen

[114] Toen hij tien jaar oud was geworden, gebeurde er iets met hem waardoor zijn identiteit aan het licht kwam. Hij was in het dorp waar ook de stallen stonden aan het spelen en dat deed hij met leeftijdgenoten en buitenshuis. Tijdens hun spel kozen de kinderen de jongen die de zoon van de koeherder heette te zijn als hun koning. Hij liet sommigen van hen een paleis bouwen, anderen een lijfwacht formeren, misschien wel een van hen ‘oog van de koning’ zijn, een ander gaf hij de eer berichten aan hem over te brengen. Iedereen kreeg van hem een taak.

Een van die kinderen dat meespeelde, was de zoon van Artembares, een bij de Meden vooraanstaand man, maar omdat hij niet deed wat Kyros hem opdroeg, liet hij hem door de andere kinderen bij de handen en voeten oppakken[9] en omdat de kinderen hem gehoorzaamden, kon Kyros de jongen met zweepslagen heel gemeen toetakelen. Zodra hij was vrijgelaten, maakte hij zich vooral kwaad, omdat hij vond dat hij niet verdiende zo behandeld te worden. Teruggekomen in de stad deed hij z’n beklag bij zijn vader om wat Kyros hem had aangedaan; hij noemde natuurlijk niet ‘Kyros’, want zo heette hij toen nog niet, maar ‘de zoon van de koeherder van Astyages’.

Artembares stapte, in een opwelling van woede, naar Astyages en verklaarde, terwijl hij z’n zoon meenam, dat het kind onverdraaglijke pijn had geleden. Hij zei: “Koning, door een dienaar van u en een kind van een koeherder zijn wij zo bespot. Kijk maar naar z’n schouders.”

Ondervraging

[115] Toen Astyages die woorden had gehoord en de schouders had gezien, wilde hij vanwege de hoge positie van Artembares het voor diens zoon opnemen en riep de koeherder en zijn zoon bij zich. Beiden verschenen, waarop Astyages zijn blik op Kyros richtte en zei: “Heb jij, een kind van zo’n gewone man, het gedurfd om de zoon van deze man, die door mij het meest gewaardeerd wordt, zo lelijk toe te takelen?” Het antwoord van de jongen luidde: “Heer, ik sta in mijn recht door hem dat aan te doen. De jongens uit het dorp, van wie hij er een is, hebben mij in een spel als hun koning aangesteld. Ze vonden mij daarvoor het meest geschikt. De andere jongens voerden uit wat hen werd opgedragen, maar hij was ongehoorzaam en hield zich niet aan de regels, wat tot zijn straf leidde. Als ik op grond hiervan narigheid verdien, sta ik tot uw beschikking.”[10]


[9] Een beproefde methode om een lijfstraf uit te delen: op de gestrekte ledematen komen de zweepslagen harder aan.

[10] Bijzonder volwassen taalgebruik voor een tienjarige jongen.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7