(pagina 5 van 7)
Hoofdstukken op de andere pagina’s: 108-109, 110-111, 112-113, 114-115, 119, 120-122.
Intelligent knaapje
[116] Terwijl de jongen dat zei, begon het bij Astyages te dagen dat hij de jongen kende. Hij vond dat z’n gezichtstrekken op die van hemzelf leken en dat de manier van antwoord geven van beschaafder komaf getuigde. Ook het aantal jaren sinds het te vondeling leggen leek met de leeftijd van de jongen overeen te komen. Stomverbaasd was hij en een tijd lang sprakeloos. Met moeite hernam hij zich na een poosje en met de intentie Artembares weg te sturen om de koeherder onder vier ogen te kunnen ondervragen, zei hij: “Artembares, ik zal ervoor zorgen dat jij en je zoon geen enkele reden tot klagen hebben.”
Een bekentenis
Astyages liet Artembares dus gaan en Kyros werd op bevel van hem door dienaren het paleis binnengeleid.[11] Toen de koeherder alleen en zonder getuigen[12] was achtergebleven, vroeg Astyages hem hoe hij aan de jongen was gekomen en wie de bezorger ervan was. Deze hield echter vol dat het zijn eigen kind was en dat zijn moeder nog bij hem leefde. Astyages zei echter dat de man er onverstandig aan deed, als hij wilde dat het uitmondde in grove dwangmiddelen. Terwijl hij deze woorden uitsprak, gaf hij z’n lijfwachten een teken om hem te arresteren. Zo kwam het dat hij op de pijnbank werd gelegd en de volledige toedracht bekende. Hij begon bij het begin, vertelde de volle waarheid, verlaagde zich tot smeekbeden en vroeg om genade.
Harpagos ter verantwoording geroepen
[117] Nu de koeherder de ware toedracht had onthuld, had Astyages minder aandacht voor hem, maar was wel zeer ontstemd over Harpagos en liet hem door zijn lijfwachten roepen. Harpagos verscheen en kreeg van Astyages de vraag: “Harpagos, wat heb je met het kind gedaan dat ik aan jou heb overgedragen, toen mijn dochter daarvan was bevallen?”
Harpagos besefte dat de koeherder in het paleis was en ging niet een pad vol leugens op – hij wilde niet beschuldigd en betrapt worden – en gaf de volgende verklaring: “Koning, toen ik het kindje ontving, dacht ik na en zocht ik een manier om in uw geest te handelen en om als een man die tegenover u altijd correct is geweest, geen moordenaar te zijn in de ogen van uw dochter noch van uzelf. Dit nu was wat ik deed. Ik riep de koeherder bij mij en overhandigde hem dat kindje. Ik zei dat het bevel om het te doden van u kwam en hiervan is niet één woord gelogen, want dat waren úw instructies. Welnu, ik leverde op die wijze het kindje aan hem over en droeg hem op het op een verlaten berg neer te leggen en net zo lang te wachten en op te letten, totdat het was gestorven. Ik heb met van alles en nog wat gedreigd, mocht hij z’n werk niet tot afronding brengen. Toen hij de instructies had uitgevoerd en het kindje was gestorven, stuurde ik eunuchen[13] die ik het meest vertrouwde en die uit mijn naam het lijkje te zien kregen, en liet het begraven. Zo zit het, koning, en niet anders en op die manier is de jongen aan z’n eind gekomen.”
[118] Harpagos vertelde dus de volle waarheid, maar Astyages, die woedend was om wat er was gebeurd, maar zich inhield, vertelde hem eerst de gebeurtenissen zoals hij die van de koeherder had gehoord. Daarna, toen hij alles nog eens was langsgelopen, kwam hij tot de essentie door te zeggen dat de jongen in leven was en alles goed was afgelopen. “Wat het kind overkwam”, zo vertelde hij, “heeft me zeer geraakt en ik had er moeite mee dat mijn dochter mij verwijten maakte. Maar nu het lot een goede wending heeft genomen, vraag ik je ten eerste je eigen zoon in contact te brengen met de jongen die net is opgedoken. Verder nodig ik je uit voor een feestmaal, want ik ben van plan voor de redding van de jongen een dankoffer te brengen aan de goden aan wie die eer toekomt.”
[11] De gesprekken met Artembares en de koeherder zijn formele, juridische zittingen die ‘aan de poort’ plaatsvinden (vgl. de zittingen die Deïokes als rechter hield, zie hfdst. 97, opm. 198).
[12] Verderop blijkt dat Astyages’ lijfwachten mochten blijven.
[13] Eerder werden ze nog vaag ‘lijfwachten’ genoemd (zie hfdst. 113, opm. 219).