(pagina 6 van 7)
Hoofdstukken op de andere pagina’s: 108-109, 110-111, 112-113, 114-115, 116-118, 120-122.
Macaber feestmaal
[119] Toen Harpagos die woorden had gehoord, maakte hij een kniebuiging[14] en prees zich gelukkig dat dit het resultaat was van zijn misstap en hij onder een goed gesternte voor een feestmaal was uitgenodigd. Zo ging hij naar huis.
Hij had een zoon, zijn enig kind, ongeveer dertien jaar oud, die hij, toen hij thuiskwam, meteen op pad stuurde. Hij zei hem naar het huis van Astyages te gaan en te doen wat deze maar van hem vroeg. Zelf vertelde hij, opgetogen als hij was, z’n vrouw wat hem was overkomen.
Toen Harpagos’ zoon bij Astyages was gekomen, sneed deze z’n keel door en scheidde z’n hoofd, armen en benen één voor één van het lijf. Enkele stukken van het vlees liet hij braden, andere koken. Hij had er iets lekkers van gemaakt en het klaargelegd. Het was tijd voor het feestmaal en de gasten, onder wie ook Harpagos zich bevond, verschenen. De anderen en Astyages zelf kregen op bijzettafels[15] schapenvlees voorgeschoteld, maar Harpagos het vlees van z’n eigen zoon, alles behalve het hoofd, de armen en de benen; die waren apart gelegd, afgedekt in een mand.
Toen Harpagos vond dat hij genoeg had gegeten, vroeg Astyages hem of de maaltijd hem wel had gesmaakt. Harpagos verzekerde dat hij erg ervan genoten had, waarop dienaren, die hun instructies hadden, het hoofd, de armen en benen van de jongen, alles nog afgedekt, kwamen brengen. Ze bleven voor Harpagos staan en vroegen hem de mand open te slaan en te nemen wat hij lekker vond.
Harpagos deed wat zij vroegen, sloeg de mand open en zag de overblijfselen van z’n zoon. De aanblik bracht bij hem geen verbijstering, nee, hij beheerste zich. Astyages vroeg hem of hij wist van welk dier hij het vlees had gegeten. De andere zei het te weten en dat hij blij was met alles wat de koning deed. Dat was zijn antwoord en na de vleesresten te hebben opgepakt ging hij naar huis. Ik denk dat hij alles[16] wel bijeen wilde zoeken om het dan te begraven.
[14] Harpagos maakt hier het gebaar van de proskynesis (Gr. προσκύνησις), een vorm van aanbidding waarbij men zich languit op de grond werpt, het voorhoofd plat op de grond.
[15] In de oudheid werd niet aan een grote tafel gegeten, eerder werden de gerechten op schotels apart opgediend en op kleine tafels bij de gasten geplaatst.
[16] Wellicht suggereert de schrijver dat Harpagos ook wilde verzamelen wat inmiddels door hem was opgegeten.