Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Ploutarchos over Herodotos

(pagina 15 van 31)

Andere hoofdstukken: inleiding, 1, 2-4, 5-6, 7-10, 11-12, 13-14, 15-17, 18-20, 21, 22, 23, 24-25, 26, 28, 29-30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37-38, 39, 40-41, 42, 43, literatuur, persoonsnamen, plaatsnamen

Kwalijke rol van de Alkmeoniden; lof voor Kallias

[27] Maar dit terzijde. Laten wij zien wat er ná de strijd is gebeurd. Hij zegt: “De buitenlanders roeiden met de rest van hun schepen terug de zee op en na de slaven uit Eretria te hebben opgepikt van het eiland waar zij hen hadden achtergelaten, voeren zij om Kaap Sounion, want zij wilden de stad bereiken, vóórdat de Atheners daar kwamen. Onder de Atheners werd de klacht gehoord dat dit plan onderdeel was van een complot van de Alkmeoniden: zij zouden met de Perzen hebben afgesproken met een schild een teken te geven, zodra zij aan boord van hun schepen waren. Zij voeren dus om Kaap Sounion.”

Laten wij er niet op ingaan dat hij hier de Eretriërs ‘slaven’ noemt, hoewel zij niet minder lef en ambitie lieten zien dan alle andere Grieken en meer geleden hebben dan zij op grond van hun moed verdienden. Dat hij de Alkmeoniden, voorname families en prominente mannen, een kwade naam heeft bezorgd, is niet eens het ergste. De klinkende overwinning is echter tenietgedaan en het alom bejubelde succes heeft tot niets geleid, alsof er geen strijd heeft plaatsgevonden en geen bijzondere prestatie is geleverd, maar er slechts een schermutseling is geweest met de Perzen, toen zij aan land gingen. Het zijn de woorden van een criticaster en muggenzifter.

Sloegen zij na het gevecht dan niet op de vlucht door de scheepskabels stuk te slaan en zich uit te leveren aan de wind die hen zo ver mogelijk van Attika dreef? Nee, er wordt met een schild een teken gegeven van overgave aan hen. Zij varen op naar Athene en verwachten de stad te zullen innemen. Zij ronden doodleuk Kaap Sounion, liggen stil voor Faleron en vooraanstaande en prominente burgers willen de stad, die ze hebben opgegeven, uitleveren. Sterker nog, in een poging later de Alkmeoniden vrij te pleiten[91] wil hij het verraad anderen in de schoenen schuiven. “Er werd inderdaad een teken met een schild gegeven, dat valt niet te ontkennen,” zegt hij, want hij was er zelf getuige van.[92]

Dit was onmogelijk, omdat de Atheners een klinkende overwinning hadden behaald. Dat teken had niet door de Perzen kunnen worden opgemerkt, want zij sloegen op de vlucht, gingen met veel moeite, onder een regen van klappen en pijlen, aan boord van hun schepen en verlieten halsoverkop het slagveld. Wanneer hij verderop doet voorkomen de Alkmeoniden te willen vrijpleiten van beschuldigingen die hijzelf als eerste heeft geuit, en zegt het verbijsterend te vinden en het verhaal niet te geloven dat de Alkmeoniden ooit volgens afspraak met een schild de Perzen een teken zouden hebben gegeven, omdat zij wilden dat de Atheners onder het bewind kwamen van de Perzen en Hippias,[93] doet mij dat denken aan het spreekwoord “blijf staan, kreeft, en ik zal je laten gaan.”[94]

Waarom doe jij je best ze te grazen te nemen, als je vervolgens hen wil laten gaan? Ook jij spreekt beschuldigend en spreekt daarna vrij. Je maakt tegen vooraanstaande mensen aantijgingen, die je later intrekt, omdat je natuurlijk jezelf niet vertrouwt. Je hoort jezelf immers zeggen dat de Almeoniden met een schild een teken hebben gegeven aan de Perzen, toen zij verslagen waren en zich uit de voeten maakten. Het is niet anders, door de Alkmeoniden vrij te pleiten laat je zien dat je een verraderlijke aanklager[95] bent.

Als de Alkmeoniden “even grote als of zelfs grotere tirannenhaters blijken te zijn dan Kallias, zoon van Fainippos en vader van Hipponikos”, zoals jij schrijft,[96] hoe plaats jij dan die samenzwering die je in het begin hebt beschreven? Ze hebben Peisistratos, zogenaamd om een huwelijksverbintenis met hem aan te gaan, uit ballingschap aan de alleenheerschappij geholpen en zouden hem niet opnieuw verdreven hebben, als hij niet ervan werd beschuldigd op ongebruikelijke wijze seks met z’n vrouw te hebben.[97]

In dat verhaal zitten zulke inconsistenties. Tussen de beschuldigingen en verdachtmakingen van de Alkmeoniden door heeft hij Kallias, zoon van Fainippos, lof toegezwaaid en zijn zoon Hipponikos met hem in verband gebracht. Zo geeft hij toe Kallias een plek in het verhaal te hebben gegeven zonder dat het onderwerp daartoe ook maar enige aanleiding gaf, maar om Hipponikos te verheerlijken en hem sympathie te betonen.


[91] Zie Herodotos, Hist. 6.124.

[92] Het laatste is vanzelfsprekend met cynisme opgemerkt; Herodotos moest nog geboren worden, toen de slag bij Marathon plaatsvond.

[93] Herodotos, Hist. 6.121.

[94] Een verder onbekende spreuk, wellicht uit een fabel, waarin dieren met elkaar gesprekken voeren.

[95] De schrijver gebruikt hier het beladen begrip sykofant (Gr. συκοφάντης), iemand die tegen betaling valse aanklachten lanceert, een vooral in de tweede helft van de vijfde eeuw vC veel voorkomende praktijk in Athene.

[96] Kallias probeerde in alle opzichten Peisistratos tegen te werken en schuwde niet tot een impopulaire maatregel over te gaan als confiscatie van goederen (zie Herodotos, Hist. 6.121).

[97] Vgl. Herodotos, Hist. 1.60-61, waar de schrijver aangeeft dat Peisistratos om een hem moverende reden geen kinderen bij deze vrouw (dochter van Megakles, zijn politieke opponent) wilde hebben.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31