Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Ploutarchos over Herodotos

(pagina 25 van 31)

Andere hoofdstukken: inleiding, 1, 2-4, 5-6, 7-10, 11-12, 13-14, 15-17, 18-20, 21, 22, 23, 24-25, 26, 27, 28, 29-30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37-38, 40-41, 42, 43, literatuur, persoonsnamen, plaatsnamen

Adeimantos als lafaard afgeschilderd

[39] Niet het feit dát hij leugens vertelt, vraagt om onze aandacht; wij onderzoeken alleen zijn valse leugens. Volgens hem beweren de Atheners[170] dat, toen de vijanden tot actie waren overgegaan, bij Adeimantos, de bevelhebber van de Korinthiërs, de schrik er goed in zat en hij uit angst zich terugtrok, niet door achteruit te roeien en rustig langs de vechtenden te glippen, maar door onverholen de zeilen te hijsen[171] en alle schepen te laten omkeren. Meteen daarop kwam een bootje op hem afvaren bij het puntje van het eiland Salamis en iemand riep vanuit het bootje: “Hé, Adeimantos, je laat de Grieken aan hun lot over en vlucht. Maar zij zijn nu aan de winnende hand, precies zoals zij wensten de vijanden te overwinnen!”

Dat bootje kwam, zo lijkt het, als uit de hemel gezonden. Ja, waarom zou hij van een in de tragedie typische vondst moeten afzien,[172] als hij in alle andere opzichten de tragediedichters met grote woorden overtreft? Adeimantos geloofde het bericht. “Hij keerde terug naar de vloot, toen de klus al geklaard was. Zo luidde de laster van de Atheners, iets wat de Korinthiërs zelf tegenspreken, want zij vinden dat zijzelf in de voorste gelederen aan het zeegevecht hebben deelgenomen. Ook de andere Grieken erkennen dat zij gelijk hebben.”

Zo gaat de man vaak te werk. Hij spreekt diverse verdenkingen en beschuldigingen uit over diverse personen om er zeker van te zijn dat iemand heel slecht overkomt. Hier is hij erin geslaagd de Atheners in diskrediet te brengen, wanneer je zijn verdenkingen gelooft, de Korinthiërs, wanneer je dat niet doet. Ik denk dat hij de Atheners niet over de Korinthiërs heeft horen klagen noch de Korinthiërs over de Atheners. Hij heeft over beiden even erge leugens verkondigd.

Thoukydides in ieder geval heeft, wanneer hij over Atheners schrijft die in Lakedaimon de argumenten van de Korinthiërs weerspreken en de eigen prestaties tegen de Perzen en het zeegevecht bij Salamis verheerlijken, de Korinthiërs helemaal niet van verraad of desertie beschuldigd.[173] Je kon ook niet van de Atheners verwachten dat zij die verwijten zouden maken tegenover de stad van de Korinthiërs, als zij de naam ervan op de derde plaats na die van de Lakedaimoniërs en henzelf zagen ingegraveerd op de wijgeschenken uit de buit op de Perzen. Het werd hen ook nog toegestaan op Salamis dicht bij hun stad de gesneuvelden te begraven, als waren het helden, en het volgende grafschrift aan te brengen:

“Vreemdeling, ooit woonden wij in de waterrijke stad Korinthe,
maar nu bewaart Salamis, eiland van Aias, wat van ons rest.
Door hier de vloot van de Foeniciërs, Perzen en Meden
te verslaan hebben wij het heilige Griekenland verdedigd.”[174]

De cenotaaf op de Isthmos draagt dit opschrift:

“Voor heel Griekenland, dat zich in uiterste gevaar[175] bevond,
hebben wij onze levens gegeven en liggen hier begraven.”

Hier heb je nog een inscriptie op de wijgeschenken in het heiligdom van Leto van de hand van Diodoros, een van de scheepscommandanten van de Korinthiërs:

“Dit zijn de wapens van de Perzische vijand die de mariniers van Diodoros
aan Leto hebben geschonken als herinnering aan het zeegevecht.”

Herodotos schoffeert Adeimantos voortdurend en beweert dat hij de enige legeraanvoerder is die tegenstribbelt, omdat hij van Artemision zou wegvluchten en niet op z’n post wilde blijven. Maar zie hoe vermaard hij was:

“Dit is het graf van die bekende Adeimantos, dankzij wie heel
Griekenland zich met de vrijheidskrans heeft getooid.”

Het is niet aannemelijk dat een lafaard en verrader na zijn dood zulk eerbetoon had gekregen. Hij zou het evenmin hebben aangedurfd zijn dochters namen te geven als Nausinike, Akrothinion en Alexibia[176]en zijn zoon Aristeus[177] te noemen, als niet door zijn prestaties enig aanzien en luister met zijn persoon verbonden waren.

De vrouwen van Korinthe waren overigens de enige in Griekenland die die mooie, bevlogen smeekbede tot de godin richtten om hun mannen liefde in te geven voor de strijd tegen de buitenlanders. Het is onvoorstelbaar dat iemand als Herodotos of zelfs een Kariër uit het verre binnenland dit niet wist.[178] Iedereen sprak erover en Simonides heeft een epigram geschreven, toen ze bronzen standbeelden hadden opgesteld in de tempel van Afrodite.[179] Ze zeggen dat de tempel door Medeia is opgericht, volgens sommigen nadat zij zelf het met haar man had uitgemaakt, volgens anderen als dank voor het feit dat de godin Iasons liefde voor Thetis had doen ophouden.[180] Het epigram gaat als volgt:

“Deze vrouwen hebben voor Grieken en strijdlustige medeburgers
hier gestaan met hun bevlogen gebed tot Kypris.[181]
Stralende Afrodite peinsde er niet over aan de met pijl en boog schietende
Perzen de burcht van de Grieken uit te leveren.”

Dít had hij moeten schrijven en vermelden in plaats van de ellende van Ameinokles en de kindermoord in het verhaal in te lassen.[182]


[170] De actie van Adeimantos en de wonderbaarlijke verschijning van het bootje wordt door Herodotos beschreven in Hist. 8.94.

[171] In gevechtssituaties werden roeiriemen gebruikt om snel te kunnen laveren; het hijsen van de zeilen was een poging om onmiddellijk en in rechte lijn zich uit de voeten te maken, waarbij de windkracht en -richting bepalende factoren waren.

[172] Een verwijzing naar de deus ex machina scènes in de Griekse tragedie, waarbij de ontknoping kwam door de plotselinge en onverwachte verschijning van een godheid die beslissing bracht; een acteur werd in een mand met een takel (Gr. μηχάνη, vandaar de uitdrukking) hoog boven het toneelvlak gehesen.

[173] De Atheners waren in 432 vC in Sparta om zich te verdedigen tegen de aanklacht van de Korinthiërs vanwege de belegering van Potidaia (in Chalkidike), een afvallig lid van de Delisch-Attische Zeebond en oorspronklijk een kolonie van Korinthe.  

[174] Het grafschrift kan niet worden toegeschreven aan een ons bekende dichter; dit geldt ook voor de hierop volgende inscripties.

[175] De schrijver van de inscriptie bedient zich van de beeldspraak “op de scherpe rand van het scheermes” (Gr. ἀκμᾶς ἐπὶ ξυροῦ).

[176] De namen van de dochters van Adeimantos betekenen resp. “Zij die met schepen overwint”, “Eerstelingenoffer” en “Zij die geweld afwendt”; een eerstelingenoffer was een percentage van de oogst of van de oorlogsbuit die als dank aan een godheid werd afgedragen.

[177] De naam van Adeimantos’ zoon betekent “Held”.

[178] De Kariër staat hier voor iemand die stamt uit een achtergebleven gebied (vgl. hfdst. 23 en opm. 74).

[179] Bedoeld wordt de tempel van Afroditie op de Akrokorinthos (burcht van Korinthe).

[180] Een mededeling die misschien verband houdt met de bewering van Athenodoros van Eretria dat “Thetis en Medeia in Thessalia aan een schoonheidswedstrijd deelnamen” (Müller, Fragm. Hist. Graec. Dl. 4, p. 345: Θέτιν καὶ Μήδειαν ἐρίσαι περὶ κάλλους ἐν Θεσσαλίᾳ), met de implicatie dat Iason voor de winnares, Thetis, viel; gangbaarder is Iasons liefde voor Glaukè, dochter van Kreon, koning van Korinthe.

[181] Afrodite wordt aangesproken als de op Kypros vereerde godin, de ‘Kyprische’.

[182] Zoals eerder beschreven in hfdst. 30.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31