Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Ploutarchos over Herodotos

(pagina 8 van 31)

Andere hoofdstukken: inleiding, 1, 2-4, 5-6, 7-10, 11-12, 13-14, 18-20, 21, 22, 23, 24-25, 26, 27, 28, 29-30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37-38, 39, 40-41, 42, 43, literatuur, persoonsnamen, plaatsnamen

Thales, Pittakos, Alkaios

[15] Van de zeven wijzen, die hijzelf ‘wetenschappers’[41] noemt, stelt hij Thales voor als een buitenlander, verre afstammeling van Foeniciërs.[42] Hij heeft, de goden voor gek zettend, in de figuur van Solon het volgende gezegd: “Kroisos, u stelt een vraag over menselijke zaken aan mij, die goed weet dat het goddelijke wezen geheel en al afgunstig is en de boel in de war schopt?”[43] Door zijn eigen gedachten over de goden aan Solon toe te schrijven, geeft hij aan zijn godslasterlijke woorden een kwaadaardige draai.

Hij nu citeert Pittakos om iets onbenulligs dat het vermelden niet waard is, maar laat, als hij over zijn prestaties komt te spreken, het grootste en mooiste wat de man heeft gepresteerd, liggen. De Atheners en Mytileners namelijk voerden oorlog om Sigeion en toen Frynon, de legeraanvoerder van de Atheners, eenieder die maar wilde tot een tweegevecht uitdaagde, trad Pittakos hem tegemoet, wierp een visnet over de man heen en doodde hem, hoewel deze groot en sterk was. De Mytileners boden hem grote geschenken aan, maar hij wierp zijn lans en wilde slechts zoveel land, zo ver als zijn projectiel reikte. Nog steeds heeft dat de naam ‘Pittakeion’.[44]

Wat doet Herodotos, wanneer hij bij dat onderwerp is gekomen? Hij vertelt niet over de heldendaad van Pittakos, maar over de vlucht uit het gevecht van de dichter Alkaios, nadat deze z’n wapens had weggeworpen.[45] Door de goede zaken niet te beschrijven en de lelijke dingen niet achterwege te laten onderschrijft hij de bewering dat afgunst en leedvermaak één kwade oorsprong hebben.

Alkmeoniden landverraders

[16] Verderop beschuldigt hij de Alkmeoniden, die helden waren en hun vaderland van de tirannie hadden verlost, van verraad en zegt dat zij Peisistratos uit ballingschap hebben teruggenomen en aan zijn oude positie hebben geholpen in ruil voor een huwelijk met een dochter van Megakles. Het meisje zei tot de eigen moeder: “Kijk, lieve mamma, Peisistratos heeft met mij geen seks, zoals het hoort.” Verontwaardigd over dat onfatsoenlijke gedrag hebben de Alkmeoniden de tiran verdreven.[46]

Thermopylai, een schande voor de Lakedaimoniërs

[17] Kijk eens hoe de Lakedaimoniërs, om niet minder dan de Atheners last te hebben van zijn slechte karakter, Othryades, de bij hen meest bewonderde en gerespecteerde man, smadelijk hebben behandeld. Hij zegt: “De enige man die van de driehonderd was overgebleven,[47] schaamde zich ervoor naar Sparta terug te keren, terwijl zijn medesoldaten waren gesneuveld, en had ter plekke in Thyreai zich van het leven beroofd.” Daarvóór echter zegt hij dat beide partijen de overwinning opeisten, maar hier voert hij de schaamte van Othryades aan als bewijs van de nederlaag van de Lakedaimoniërs. Als verliezer verder leven was schandelijk, als overwinnaar overblijven het allermooist.


[41] De in de brontekst gebruikte term is ‘sofisten’, sofistai (Gr. σοφίσται) en had in de tijd van de schrijver een slechte connotatie, die Herodotos niet kende.

[42] Zie Herodotos, Hist. 1.170, waar melding wordt gemaakt van een nuttig voorstel “van Thales van Milete, van herkomst een Foeniciër”, Θάλεω ἀνδρὸς Μιλησίου (…), τὸ ἀνέκαθεν γένος ἐόντος Φοίνικος.

[43] Dit is een letterlijk citaat uit Herodotos, Hist. 1.32; Herodotos laat dit overigens zeggen door Bias van Priëne en noemt Pittakos als een mogelijke variant op het verhaal.

[44] D.w.z. ‘het bezit/land van Pittakos’ (Gr. Πιττάκκειον).

[45] Zie Herodotos, Hist. 5.94-95.

[46] Het hele verhaal, inclusief Peisistratos’ motieven om zich tijdens zijn huwelijk te onthouden, valt te lezen bij Herodotos, Hist. 1.60-61.

[47] In een gevecht tussen twee legers van elk 300 man betwistten Sparta en Argos het bezit van Thyreai, een stad en het omliggende gebied aan de kust van Argolis (zie Herodotos, Hist. 1.82).

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31